Windsurf vakantie Sardinië voorjaar 2015

Surfvakantie Sardegna 2015

Woensdagavond 13 mei om 19:35 verlieten we Fryslan. Om 4:56 kwamen we aan in Basel en om 12:35 kwamen we aan in Genua. Voor het eerst hadden we de surftrailer mee genomen  en dus zou de nadruk deze vakantie liggen op windsurfen. We blijven in het noorden van Sardinië. Vooraf dachten we dat we een enorm tijdsverlies zouden hebben, ten opzichte van ‘normaal’ maar dit bleek niet het geval te zijn. Voordat we naar Genua gingen, zijn we naar Isola del Cantone geweest. In dat dorpje was weinig te zien, daarom besloten we om naar Castello della Pietra te rijden. Ver zijn we niet gekomen, we kwamen eerst bij de lokale visvijver Lago di Vobbietta terecht met verbazingwekkend blauw groen water en bubbels van vissen.

Vobbietta, ItaliaVobbietta, Italia

De wegen waren hier heel smal en draaierig, een eerlijk gezegd trok ik het niet goed. Dat kasteel leek nog mijlenver en in Genua konden we ook wel relaxen op een parkeerterrein. Daarna zijn we naar Pegli gereden en hebben we daar naast het treinstation geslapen en om vier uur koffie gedronken. Het regende. En het was bewolkt. En op zee leken de zwarte luchten niet weg te raken. Een slecht sein voor de bootreis gedurende de nacht. We waren al vroeg bij de haven en anders dan anders moesten we – hoe Italiaans – via de grote weg zonder stoep naar de terminal lopen om de tickets te halen. De opzichter had het trappenhuis afgesloten en was van plan het niet eerder dan zes uur open te doen. Bedankt voor de veiligheid en de gastvrijheid… Om 21:00 vertrok de traghetto een half uur te laat richting Porto Torres. Het inchecken ging rommeliger dan de andere keren dat we hadden meegemaakt. De nacht verliep echt zwaar oncomfortabel. Uiteraard hadden we ook dit x geen hut geboekt en moesten we dus weer eens ergens op de koude airgeconditioneerde vloer – geen vloerbedekking voor de verandering – naast een kapot waterkraantje zien om de uurtjes om te krijgen. Gelukkig hadden we 1 yogamat mee, die bood voor Rudie was soelaas, ik lag er naast en werd steeds wakker door een koude rug, heup of ander lichaamsdeel of door pijn erin. Honden blaften, de deur klepperde wel 1000x en om 6 uur liepen alle dwaze Italianen al weer op weg naar hun schamele koffie ontbijt en was ik dus meteen weer wakker. Om zeven uur besloten we om de boel maar op te pakken en een bank te zoeken en te ontbijten. De boot zou half negen aankomen maar dit werd negen uur. Ik vind het uitrijden altijd superleuk, maar natuurlijk zaten er allemaal gestreste oudere mensen achter ons die niet voort maakten.

Dag 1 Aankomst Porto Torres – Valledoria
We werden niet gefouilleerd toen we het eiland op kwamen, enerzijds goed soms ook jammer want ik hou ervan als hogere machten ons verdacht vinden. Zonder plan waar te overnachten, bedachten we eerst naar Alghero te gaan en daar even een bakje te doen, maar het was slecht weer en we waren best moe dus besloten we om naar Valledoria te rijden en daar te overnachten op de camping. Via de mooie SP81 waar je paralel langs de duinen en door het glooiende binnenland rijdt kwamen we aan. De camping op Isola dei Gabbiani ging pas op de zaterdag open, vandaar. Op de camping aangekomen zagen we dat het harder was gaan waaien en dat het plek van Jarno – onze vriend van vorig jaren in Valledoria – vrij was! Pal op de wind, en met een camper is dat wel te doen, maar met een tent….de eigenaresse raadde het ons af. Dus gingen we netjes in de duinpan staan en de jongen van de camping vroeg of we al eerder waren geweest. Ja, uiteraard was dit het geval. Hij herkende ons, door Rudies tattoos. Uiteraard is het ook een windsurfer, en ondanks dat het best oké waaide was het voor hem niet genoeg, omdat hij wavede. Nog even over spots gesproken, waar we eventueel konden gaan kijken. De tent werd opgezet en dit ging erg snel, we namen toch maar een douche en reden daarna naar Castelsardo.

valledoria1

valledoria2

Castheddu noem je dit bijzondere stadje in het Sardu, aan de noordkust van Sardinië. Deze stad (die eerst Castelgenovese werd genoemd) is in 1102 gesticht door de familie Doria die ingezetenen waren van Genua. Er waren echter al veel langer mensen actief, zelfs nog voordat het Nuraghevolk er was! Zij kwamen uit de bronstijd. Om even je geheugen op te frissen: dit was de 18e eeuw voor dat Jezus geboren werd. Daarvoor was er de Steentijd, toen had men nog niet de know how om te schrijven. Deze periode duurde van 250.000-2000 voor dat Jezus in zijn kribbe lag. Kun je je bedenken dat er toen dus al mensen rond moeten hebben gelopen op Sardinië? Ik bijna niet.

Sardegna May 2015 <3

Sardegna, May 2015

We hadden dit stadje al twee keer eerder bezocht maar nog niet alles hadden we gezien. Eerst heerlijk gegeten bij een te toeristisch gebouwtje midden in de stad, en vervolgens zijn we naar de kustrand gelopen. De wind trok aan en de swell was geweldig om te zien, zo laag beneden de stad. Ik wilde dit alles vastleggen maar natuurlijk was het fotorolletje vol. Ouderwetse problemen in 2015, want ja haal je dan he – le – maal een nieuw rolletje op uit de auto? Nee, dan maar foto’s maken met de mobiele telefoon. Ik had met opzet slechts de analoge camera meegenomen.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

We slenterden langs het oude fort, het Castello Bellavista, waar we al een keer over de oude muren hadden gewandeld en richting Corsica & Asinara konden kijken. Er staat nog een toren, en men zegt dat de wachters vroeger constant in die toren zaten om te waken. Mochten er schepen met Aragonese vlag worden gesignaleerd, dan kon men iedereen waarschuwen en zich gaan verdedigen. De natuurlijke bescherming had het stadje voor; namelijk de tientallen meters hoge rotsen waarop het ligt. Vanuit het kasteel kon men de vloot bekogelen met kanonnen. Het zal hun een machtig gevoel hebben gegeven, zo hoog boven het azuurwater, niemand kon de Doria’s bijna bereiken vanaf zee. Toch hebben die Aragonezen de slag ooit een keer gewonnen en hebben ze de stad in bezit gehad. Ook is er in het kasteel tegenwoordig een belangrijk, maar ons weinig zeggend, vlechtwerkmuseum. We lopen naar de noordkant van de stad waar er prachtige steegjes kronkelenden langs kleurrijke huisjes tot we bij de Kathedraal van Sant’Antonio Abate uitkomen. Deze kerk werd in 1503 gebouwd en is een mix van renaissance & gotische elementen.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

 

Pirotto la Frati | Baia delle Mimose
Na Castelsardo te hebben bezocht, besloten we een cache te gaan zoeken. De cache ligt dichtbij Pirotto la Frati en dichtbij een freestyle/kitespot en camping la Focce aan de monding van de rivier Coghinas. Je rijdt een mooi eindje om, om er te komen. Wat een prachtig gebied, duin, macchia wind watersporters en actie. De cache vonden we niet omdat er een slang op het paadje lag te chillen en we eigenlijk niet verder durfden te lopen hierdoor, het was een en al riet, bamboe en dorheid. Een ideaal rustig plekje om als slang je thuis te voelen. Natuurlijk zwalkten we over het prachtig witte strand, en liepen we naar de monding van de rivier, waar kiters vette tricks deden. We reden naar Valledoria, gingen naar de supermarkt en ijzerwarenhandel. Daarna aten we in het restaurant, we zagen Nederlanders die er twee jaar geleden ook waren. De pizza was matig, champignons uit blik zijn niet mijn ding. Met de zon die nog niet helemaal onder was, gingen we slapen in de heerlijke De Waard tent die we hadden meegekregen van Rudie’s oom & tante.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Dag 2 Valledoria – Isola dei Gabbiani
Om acht uur, na een lekker ontbijtje bij de bar, reden we richting Porto Pollo, om specifiek te wezen: Isola dei Gabbiani (het meeuwen eiland). We besloten om weer via de kust te rijden. Eerst richting Isola Rossa en Costa Paradiso, en daarna over de SP90 richting Santa Teresa Gallura. We kwamen langs Cala Pischina vlakbij Rena Majore. Wat een golven, prachtig. Daar hebben we even staan kijken.

Cala Pischina, Sardegna

We kwamen rond een uur of half elf aan bij Porto Pollo. Het was een chaos bij de receptie, die net open was. We hadden een plek gereserveerd en aangegeven dat we met de trailer kwamen, een auto en tent en het was geen probleem waar we stonden, alles was mogelijk, het was het begin van het seizoen dus overal was wel plek (gastvrij of laks?) dus we zochten een mooie plek uit zo hoog mogelijk met uitzicht op zee. Vervolgens kon het toch niet en toen weer wel toen weer niet en toen toch weer wel. Een heel gedoe maar we zijn gewoon op het begin plek gaan staan. Drie dagen later werden we er weggebonjourd naar een plekje onder de bosjes omdat er zogenaamd mensen in aantocht waren, waarvan het plek eigendom was. We hebben de tent versleept naar de andere kant waar nog een plek vrij was. Uiteraard, verscheen er in de hele tien dagen N I E M A N D op de plek waar we eerst stonden. En omdat we best wel slordig werden behandeld, hebben we geklaagd (hoe Hollands) en wilden we korting. En die kregen we. Top dus. We gaan niet weer naar deze verder chille camping waarvan de douches, het restaurant en het winkeltje is vernieuwd. Mocht je met een surftrailer gaan, wees verstandig en boek dan de allergrootste plaats die er is en geef heel goed de afmetingen van je carello (trailer) + macchina (auto) door, en laat ze het eventueel uitmeten. Dit om teleurstellingen te voorkomen. Je kunt natuurlijk ook overnachten op het camperterrein voor de dijk, maar dan heb je geen douche of toilet.

Sardegna

Uiteraard hadden we de tent snel opgezet en gingen we daarna het water op. De wind was minimaal maar het gevoel dat je in een shorty in Mei kunt varen is toch lekker. Ik heb zelfs gezwommen diezelfde middag! Aan het einde van de middag zijn we nog naar Palau geweest.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

In Palau kun je altijd terecht voor een lekker pizza en een goede kop koffie. We hebben hier regelmatig uit het vuistje een heerlijke slice pizza bij M’Attizza gegeten. En koffie + ontbijt deden we bij Moon Light Cafe.

Dag 3 Porto Pollo
Deze vakantie hadden we als challenge om zo vaak mogelijk zelf te koken in de avond. Dat ging best aardig, maar tussen de middag aten we steeds op het strand een bord pasta bij de zeilclub Sporting Club Sardinia. Ook konden we hier onze gear stallen achter slot en grendel en afspoelen na het varen. Hier heerste een gemakkelijke en zeer rustige sfeer, en je hoefde niet op te stappen waar alle surfers opstapten. Wat wel een minpunt is, is dat je echt een heel stuk moet lopen met al je spullen voordat je kunt optuigen of bij het strand bent.

pano_portopollo

Rudie had helaas meteen pech toen we gingen optuigen. De mast van de 9,2 sprong kapot. En we hadden maar 1 grote mast mee. Dat zou betekenen bij low wind geen rakjes voor Rudie. De Italianen varen best klein materiaal dus we hoopten dat er alsjeblieft ergens een mast te krijgen was. We kregen de tip dat we naar Michiel Bouwmeester van Procenter konden gaan om te vragen, misschien had hij nog grote masten liggen. Hij heeft voor een vervangende mast gezorgd, waarmee we eerst konden optuigen, het bleek allemaal goed te zijn en we konden de mast zo overkopen. Wat een service! Top! Je kunt bij het Pro Center wind en kitesurf cursussen volgen, en daarnaast kun je spullen huren: windsurf, kitesurf, SUP’s, kajaks en zeilbootjes. Als je helemaal uitgerust en zonder zorgen op reis wilt kun je slapen in de huisjes in het Windsurfvillage dat uitkijkt over de baai van Porto Pollo. Vanaf daar kun je via de duinen naar het strand lopen, een set huren en gaan!

Isola dei Gabbiani, Sardegna

Porto Pollo, SardegnaIsola dei Gabbiani, Sardegna

Dag 4 La Maddalena & Caprera + harde wind
Omdat het zo mooi is gingen we weer naar het Nationaal Park La Maddalena. Je bent er in twintig minuten met de boot.

La Maddalena

Een beetje geschiedenis eerst. Dit eiland heeft verschillende namen gehad: Ilva, Fussa, Bucina. In de Middeleeuwen kende men het als Bicinara. Daarna werd het Santa Maria Magdalena genoemd en toen eindelijk La Maddalena. In de prehistorie werd de eilandengroep al bewoond, maar daar is eigenlijk niets van terug te vinden. Pas toen de Romeinen er kwamen en men dus dingen vast kon leggen was het voor het “ echhie” . Na de val van het Romeinse rijk woonde er zo’n 11 eeuwen geen kop. Daarna kwamen er Benediktijnse monniken die er kleine nederzettingen vestigden. Natuurlijk was er ruzie tussen de Genuezen en de Pisanen, wie had er nu eigenlijk recht op dit eiland? In 1584 kwamen de Ottomanen en die vernielden alle kloosters. Pas in de zeventiende eeuw gingen er in de wintermaanden herders met hun schapen naar het eiland. De eilanden groep was van groot strategisch belang, want het lag midden in de straat van Bonifacio. Zo kwamen er vele families en afgevaardigden van steden langs, en in 1767 bleven de Savoise-Piedmontezen hangen en zo begon het dorp La Maddalena te bloeien. Ook Napoleon wilde wat in de pap te brokkelen hebben, en maakte zijn eerste gevechts ervaring mee om dit eiland in te nemen, maar helaas (of gelukkig) slaagde hij er niet in om in 1793 het eiland te veroveren. De Engelse Nelson, ja die van het beeld op Trafalgar Square, gebruikte de eilandengroep als uitvalsbasis om te tegen de Fransen te vechten met zijn vloot. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Mussolini kort gevangene geweest op La Maddalena. Ook de NAVO heeft hier lang rondgelopen, Italianen en Amerikanen. Ook nu nog zie je als je richting Caprera rijdt de enorme complexen staan. In 2008 werden de bases echter gesloten.

La Maddalena, Sardegna

Bij de supermarkt haal je wat broodjes en fruit en een zak chips en wat water om de dag door te komen. Als het warm is zijn er langs de standen wel plekken om koffie of ijs te nemen. We gingen weer naar Cala Trinita. Het stormde behoorlijk dus we waren benieuwd hoe het er hier uit zou zien. Als de zee stil is, is het net een zwembad hier. Maar nu waren er golven en de zee oogde zo donker. We zaten op het terras bij het barretje waar alles wegwaaide, en toen we afrekenden had ik de uitgelezen kans om mijn Italiaans uit te testen. Ik stelde de eigenaar een aantal vragen, en begreep dat hij nog nooit van het eiland af was geweest (hij was in de zeventig) en dat hij dat helemaal niet erg vond, want hij had hier toch het mooiste uitzicht ooit, op de andere kleine eilanden en het immer veranderende water en de lucht. En hij zag zat mensen; ze kwamen wel naar hem toe, en zo kwam hij aan zijn wereldkennis. Ook vertelde de man dat hij als een van de weinigen nog Maddalenino sprak, een Sardijns – Corsicaans dialect. Gedurende de 17e tot 18e eeuw kwamen er wat meer mensen op La Maddalena en begon het eiland te groeien: er kwamen militairenn, vissers, marktkoopmannen, zeilers en zeemannen uit onder andere Corsica (veel uit Bonifacio) maar ook Genua en Pisa. Hieronder kun je luisteren naar een liedje van Maracabu Spa, wat in het Maddalenino gezongen is. Het heet un ghjornu fiddò. Naar de vertaling mag je raden…

Op Caprera besloten we om zo ver mogelijk noordelijk te rijden. Voorheen waren we zuidelijk en oostelijk geweest, waar je echt top baaitjes en dito water kunt vinden.

Caprera

Caprera heet waarschijnlijk zo omdat er wilde geiten rondlopen en capra betekent ook geit in het Italiaans. Na Maddalena is dit het grootste eiland. Het hoogste punt is 212 meter en heet Monte Tejalone. Je hebt hier een geweldig uitzicht over de zee. Met de auto kun je er niet komen, dus je kunt beter op de mountainbike of hiken. Wij wilden naar Cala Serena, een klein strandje ver weg van alles. We zijn naar Cala Garibaldi gereden, en hebben vanuit daar een stukje gewandeld langs het water. Het water was best wild, voor ons gevoel was er storm op komst en volgens Windfinder ook. De paden waren slecht aangegeven, je moest dan anderhalf uur lopen om er heen te komen, en op je Nikes is dat niet handig. Daarbij zijn alle weggetjes naar het noorden onverhard wat het voor onze auto erg lastig maakte en waardoor we snel wat tijd verloren. Aangezien het toch ging stormen leek het ons verstandiger om weer naar Maddalena te gaan en daar een wandeling te maken en koffie te drinken. Je hebt hier genoeg winkels en restaurants en cafes om je te vermaken. Neem ook de moeite om boven langs, parallel, aan de winkelstraten te wandelen. Is mooi! Bij terugkomst heeft Rudie gesurfd, voor mij waaide het te hard helaas.Sardegna, May 2015

In deze video kun je nog wat oude foto’s van La Maddalena bekijken.

Dag 5 en 6 Coluccia
Twee dagen lang stond de wind goed om op Coluccia te varen, deze spot ligt iets westelijker dan Porto Pollo, maar grenst eigenlijk aan hetzelfde strand. Je ligt alleen meer beschut in een baai en er is daardoor minder chop. Je vaart over superhelder water en langs grote zeiljachten. De Windsurf Grandslam is hier gehouden in 2013, 2014 en 2015. Ook de Nationale Italiaanse Freestyle kampioenschappen en vele andere evenementen vonden hier plaats. Het is een schitterend ritje om naar toe te rijden. Je daalt af naar zee, terwijl je niet echt het gevoel had zo hoog te zitten. Als je hier heen gaat let dan op de volgende dingen, je kunt je gear hier niet afspoelen, er is weinig schaduw, en geen toiletten, en je mag hier NIET overnachten op de parkeerplaats. Er is een surfverhuur – waar we voorgaande jaren wel spullen hebben gehuurd , RRD Neil Pryde en van alles wat. Een relaxte gast werkte er toen, we hebben hem nu niet gezien. In het tweede filmpjekun je hem zelf bewonderen: grote bos gebleekt haar en een bruin hoofd.  De barretjes waren nu nog niet open. Te vroeg in het seizoen denk ik. Dus mocht je in het voorjaar gaan; genoeg water en eten meenemen! Verder was het heerlijk om hier te verblijven. Een soort sprookje. Meer dan varen hebben we niet gedaan. Wil je een indruk van Coluccia, check dan de video’s hieronder.

 

Dag 7 Coluccia |Conca Verde | La Licciola | La Marmorata | Santa Teresa di Gallura
Ook de derde dag gingen we naar Coluccia, alleen op de middag besloten we wat rust te nemen en rond te rijden. We waren nog nooit in Conca Verde geweest, hier hoef je ook niet heen te gaan want er is echt niets te zien. We wilden wat meer strandjes bekijken aan de noordkust richting Santa Teresa. Als eerst reden we naar La Licciola en vervolgens naar La Marmorata. Prachtige kleine zandstranden. Via Punta Falcone reden we naar Santa Teresa di Gallura. Dit is iets meer dan een half uur rijden vanaf Isola dei Gabbiani. Vanuit Santa Teresa di Gallura kun je met de boot naar Corsica en komt dan aan in Bonifacio. De overtocht duurt rond de vijftig minuten, en je betaalt voor een persoon 22E en als je een auto mee wilt nemen 28E extra: dus voor 50E ben je op Corsica. Deze prijzen zijn van dit jaar: ik heb ze berekend op 16 mei 2016. Je zou zo je vakantie kunnen uitbreiden als Sardinie je niet mocht bevallen. Of andersom. Terug naar het stadje. Het is een vrij “nieuwe” tekentafel stad krijg ik altijd het idee. Daarnaast is het een erg toeristische stad. Veel winkeltjes met rommeltjes, overbodige dingen en al-le-maal ijswinkels. Ik werd wederom niet echt warm van dit stadje, al was het leuk om te zien dat er nu veel locals op het Piazza Vittorio Emanuele I waren. Het werd echter al snel koud, de wind joeg door de hoge straten en waar we eerst dachten op het terras een pizza te kunnen verorberen werd het hem toch niet. Binnen in Il Girasole da Peppe, was het ontzettend gezellig, ondanks dat we er alleen zaten te eten. Leuke bediening en genoeg kansen om vragen in het Italiaans te stellen. Daarom ook leuk geconverseerd met de ober. Rudie wilde ijs, en ik heb in een boekenwinkel een aantal boeken over rituelen op Sardinie gekocht en over de geschiedenis van het eiland.

Sardegna

Sardegna

Dag 8 Uitrusten bij de zeilclub
Deze dag is er niet veel wind en hangen we wat om op Porto Pollo bij de zeilclub en maken wat rakjes, naast een Zwitser zijn we maar met z’n drietjes op het water. De wind wordt steeds minimaler en we gaan van het water. Er mogen natuurlijk ook dagen zijn waarop je uit kunt rusten. We drinken en hangen bij de zeilclub en maken ons spullen schoon. Dan is er ineens een jonge vrouw die druk druk allemaal surfspullen bij elkaar zoekt. De baas vertelt dat er het hele weekend een Nationaal Open kampioenschap is bij Mugoni. Dit is het lievelingsstrandje van Rudie. Dus zijn oren zijn gespitst. Een goede manier om vragen te stellen, de vrouw vertelt dat haar zoontje mee doet en dat we ook moeten komen en mee moeten doen. Rudie zegt dat ze er maar veel voor over heeft. Het zal gezellig worden zegt ze en weer nodigt ze ons uit. De baas van de zeilclub zegt ook dat we moeten gaan, we varen slalom bellissima en con molto technica. We twijfelen want de voorspellingen zijn zo minimaal, en we moeten dan de boel voortijdig afbreken en opzetten voor 1 nachtje op een openbaar veldje zonder hekken. En de rit door het binnenland is erg draaierig en met een aanhanger rijd je al langzamer, misschien doen we er wel twee uren en drie kwartier over om richting Mugoni te komen. Nee, dan nog maar even chillen en op de zondag misschien nog even kijken voordat we op de boot moeten. We helpen de vrouw nog met het losmaken van een mast, wat uiteindelijk niet slaagt. Met haar autootje vol surfspullen groet ze ons en vertrekt. Voor het eten gaan we naar de tent en ‘s avonds halen we koffie in het restaurant.

zeil_huisje

Dag 9 Porto Pollo en Palau
Weer weinig wind. We proberen in de ochtend wat rakjes, maar de wind zet niet door. Daarom gaan we naar Palau en lopen er wat rond, drinken wat en scharrelen over de markt. Als je je verveelt en je bent eventjes in Palau, dan kun je eens naar het Porto Faro strand lopen, je komt hier door een klein parkjeen vanaf daar kun je dan naar de echte vuurtoren (faro) lopen. Een leuk stukje, met zulk helder water en het zicht op La Maddalena. Als je er wat langer bent kun je je renschoenen aantrekken en rondje om de noordkant van het stadje rennen. We maken al onze spullen schoon en ruimen alvast de tent wat op en gooien spul in de auto zodat we de volgende dag vroeg kunnen vertrekken naar bestemming onbekend.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Dag 10 Alghero | Poglina – Corallo | Mugoni
De laatste dag op Sardinie is dit. Gelukkig niet de laatste van het jaar! Om een uur of zeven vetrekken we van Isola dei Gabbiani. Maar waar zullen we nog even even heen? Alghero? Het is een eindje maar we zijn vroeg en kunnen er rond half elf zijn. We besluiten via de binnenland route te rijden, door het groen en de heuvels. Eerst komen we langs Luogosanto. Daarna komen we aan in Tempio Pausania. Het leuk is dat je hier niet om de stad kunt rijden maar er door moet. Klinkt gemakkelijk, maar de stad ligt hoog. En je kronkelt lekker. Ik vind dit altijd een prachtig stadje, en er is een lekkere bakker! We kopen daar onbijt en ik neem allemaal lekkere dolci mee voor onderweg. Rond half elf rijden we op Alghero aan. Daar lopen we een rondje over de vestingmuren eten een pannekoek bij de vaste creperie Al Monna Lisa in de Via Misericordia. Net als in Castelsardo was ook dit stadje in handen van de Doria’s. Vanaf 1353 kwam het onder Spaans bewind. Verschillende koningen zwaaiden er met hun scepter. Pas in 1720 kwam de adelijke dynastie van de Savoye er aan de macht. Zij onderdrukten de inwoners en er kwam hongersnood. Aan het einde van de 19e eeuw was het over en nam het fascisme de overhand. Tot 1950 kwam er in de binnenlanden rondom de stad nog malaria voor. Daarna kon Alghero groeien als stad, er komen superveel toeristen, en de koraalwinkeltjes komen je de neus uit. Je kunt aan de architectuur zien dat de Aragonezen en de Catalanen een grote invloed hadden. Het oude centrum doet je denken aan dorpen in Catalonie. Er zijn vroeger veel Catalanen naar Alghero gehaald omdat de oorspronkelijke inwoners een beetje uitgeroeid werden. Vandaar ook dat er een speciaal dialect is:(taal zelfs) het Algueres. Het is een soort Catalaans. Er zijn helaas nog weinig mensen die het spreken. Lezen en schrijven daar is het helemaal slecht mee gesteld. [Wikipedia zegt: Volgens een taalkundig onderzoek uit 2004 spreekt 22,4% van de inwoners van Alghero het Algherees als eerste taal en kan 90,1% van de bevolking ten minste een beetje de taal spreken.] Wil je echt mooie dingen zien dan kun je hier wel een dag of twee a drie verblijven. In de zomer zal het er erg druk zijn, maar om dit seizoen heen is het er heerlijk rustig. Er zijn genoeg eetgelegenheden, en cafe’s. Ten noorden van de stad is er Capo Caccia waar je prachtige uitzichten hebt, en je kunt er met een bootje in de druipsteengrot Grotta di Nettuno. Als je een auto huurt moet je zeker naar het mooie strand La Pelosa en de verlaten mijnstad Argentiera rijden.
We besluiten we om naar Spiaggio Poglina – Corallo te rijden. Dit is ongeveer twintig minuten rijden ten zuiden van Alghero. Daar drinken we koffie bij La Speranza.

Sardegna, May 2015

Sardegna, May 2015

Omdat het dan nog maar zo vroeg is besluiten we om even te gaan kijken bij Mugoni. We hoeven pas laat bij de boot te zijn, het gaat hier wat soepeler dan in Genua. Mugoni is ongeveer veertig minuten naar het noordwesten rijden. Het is er een drukte van belang. Op het veld staan allemaal busjes, en overal liggen zeilen en boards. We spreken een jongen aan, die vertelt dat er geen wedstrijden zijn tot in ieder geval een uur of een. Daarna kan de wind aantrekken, en kan er misschien een heat gevaren worden. De jongen komt uit Reggio di Calabria gevlogen en is met oudere surfers mee. For the record, dat is bij de straat van Messina, ze zullen Sicilia moeten zien liggen. En dan is er geen wind! Intussen is er een SUP wedstrijd tussen mannen en vrouwen. De moeder die we op de zeilclub tegenkomen doet ook mee, en is daarna druk aan het socializen en zwaait en roept hartelijk gedag.

verzamel_mugoni

We gaan zitten in het zand, bestellen drinken en opeens begint een kwieke dame tegen me te praten, of we ook stoelen willen, we kunnen er wel bij komen zitten, is niet erg. We schuiven aan bij onbekenden. De dame begint hele verhalen te vertellen maar ik versta de helft maar, het lijkt me wel handig om te zeggen dat ik niet Italiaans ben. Ooooh geweldig, ze wil Engels praten, terwijl ik Italiaans wil praten, dat druk ik haar op het hart. Ze vertelt dat ze een vervent windsurfster was en lesgaf vroeger, en dat ze nog altijd mee gaat naar zulke evenementen. Prachtig vindt ze het. Ze rookt ook stevig, en uiteraard krijg ik sigaretten aangeboden. Als ik uitleg dat ik niet rook vraagt ze of ik wel een wijntje lust. Nou ook niet. Ze loopt weg, en haalt een hondje op. Iedereen lijkt haar te kennen, kletst met haar. Ze zit goed in de make-up en loopt er kwiek bij met grote sportschoenen en hippe sportkleren, maar moet al ergens rond de 78 zijn. Ik zeg dat het heel erg onbeschaafd is maar ik wil erg graag weten – vrouwen onder elkaar – wat haar leeftijd is, ze zegt dat ze zich super jong voelt en dat het komt omdat ze zo lang altijd heeft gewindsurfd. Ze geeft niets prijs. Ze moet lachen dat ik al ‘zo oud’ ben. Dan vraagt ze of ik ook wat wil eten. Rudie is inmiddels vertrokken, hij wil per se hier varen en tuigt de 9,2 op. Ik zit bij allemaal mensen die ik niet ken, die goed kunnen surfen en een taal waar ik me nog niet vloeiend in kan redden. Zulke dingen digg ik slecht. Op een gegeven moment begint een man tegen me te praten, en het verhaal gaat toch heel redelijk, ik versta hem goed, en hij legt uit wat ze vandaag gaan doen, en wat ze hebben gedaan. Waar wij vandaan komen vinden ze geweldig. Telkens weer ontdek ik dat men het op prijs stelt dat ik probeer om Italiaans te praten. Dan komt de oma er weer aan, ze heeft een heel bord met worst en kaas meegenomen en zet het voor me neer. Natuurlijk moet ik uitleggen dat ik geen vlees eet, geen ramp, ze pakt alle worst en smikkelt het zelf op. Het is een leuk tafereel. De vrouw praat maar door, soms wat binnenmonds en als ik vraag of ze duidelijker kan gaat ze over in het Engels. Goed om te oefenen, zegt ze. Dan vraagt ze of ik al gegeten heb. Een pannekoek vertel ik. Dat is natuurlijk niet genoeg. Ze legt uit dat er een pasta-party is en wij moeten echt meedoen! Het is voor ons gratis. Echt superlief, maar ja weer dat vlees. Ze neemt me mee naar de kok en ze vragen of ze iets zonder vlees hebben. Helaas niet, de volgende keer zullen ze er om denken. Ze zegt dat ik alle stukjes vlees er wel tussenuit kan halen, dat geeft toch niet zoveel? Ze pakt pasta en geeft mij nog meer zalige kaas en pakt drinken voor ons. Dan eten we gezamelijk en Jan en alleman lacht en is vrolijk. Rudie is ondertussen op het water, en planeert helaas niet. Ook de wedstrijdsurfers horen de claxon en moeten het water op, het haalt helaas niets uit. Als Rudie heeft ingepakt is het al rond een uur of vier. De hele middag heb ik daar heerlijk gezeten en gepraat en gegeten. Ik neem afscheid van de vrouw, maar zij wil ook nog afscheid nemen van Rudie, dus als hij klaar is komen we terug en bedank ik haar echt duizend maal. Ze hoopt ons volgend jaar weer te zien met heel haar hart. Dat gaat vast wel goed komen. Alleen hoop ik dan dat ze er is, want ik weet haar naam niet eens…

 Sardegna, May 2015

We rijden weg met een goed gevoel naar de boot en rijden op Tweede Pinksterdag zonder problemen terug naar Fryslan.

Monschau

Takjes in de Rur

Monschau, Germany

Omdat mijn nieuwe auto getest moest worden, besloten we om een middag naar Monschau (vlak onder Aken in het Eiffel gebied) te rijden. Als kind was ik al een keer in dit romantische dorpje in het dal geweest. Toen renden we constant heen en weer om takjes in de Rur te gooien en vervolgens te zien hoe ze onder de brug door in het bruisende water verdwenen. Dan gingen we raden hoe lang het duurde voordat ze weer boven kwamen. Een goede manier om tijd te leren inschatten. De Rur moet je echter niet verwarren met de Ruhr (van de Ruhrpott-area) of de Röhr (die 30km van Winterberg ontspringt en overgaat in de Rijn.) Deze Rur komt uit bij Roermond, en nee de naam Roermond komt niet van de Rur (Roer in het Nederlands), maar het is ook niet geheel bekend waar de naam eigenlijk wel vandaan komt. Bepaalde stukken in Roermond werden tussen 1960 & 1970 overstroomd met witte schuimkoppen, zo vervuild was de rivier. In die tijd zwommen er geen vissen of andere levende organismen in de Rur. Ook was het gevaarlijk om in de rivier te zwemmen. Dit kwam allemaal omdat de afvalvijvertjes van de Duitse steenkoolmijnen het water vervuilden. Nu de mijnen gesloten zijn, gaat het al wat beter met het afvalwater, maar er zijn nog steeds gebieden die smerig en besmet zijn. Er zwemmen inmiddels alweer meer dan dertig soorten vissen na 125 jaar zwemt zelfs de zalm weer in de Rur.

Stadswandeling door Monschau

Screen Shot 2015-12-29 at 19.36.03

We wilden een wandeling door Monschau maken, het maakte eigenlijk niet uit waar we langs kwamen. Alles zou vast leuk zijn om te bekijken. En dat was het ook. Overal zag je vakwerkhuizen, en mooie hoekjes. Dit trekt natuurlijk heel veel toeristen aan, dat was minder. We maakten een rondje door het Stadtpark, waar allemaal leuke bruggetjes en watervallen waren en er helemaal op de top een cache lag. Het was heerlijk weer en we besloten om asperges en pasta op het terras van Horchem te eten. Daarna liepen we door het dorpje, maar we waren er al zo snel uit gewandeled, dat hadden we niet verwacht. Gelukkig lag er nog ergens een cache zodat we toch nog meer van het dorpje zagen dan gedacht. Ineens zag ik een poster hangen waar Vivian Maier een zelfportret maakt van zichzelf. Het bleek dat er een fototentoonstelling met 120 van haar werken was. Helaas zou de fototentoonstelling pas de dag nadat wij er waren van start gaan. Wil je meer weten van deze opmerkelijke fotografe klik dan h i e r ! Langs de andere kant van de Rur liepen we naar een oude toren wat vroeger een uitzichtpunt was. Vanuit hier kun je het dorpje mooi bekijken. En ook richting het kasteel van Monschau. Dit kasteel is gebouwd in 1433 en een eeuw later werd het bestormd door Karel de vijfde. Hij plunderde het dorp, maar de hertogen die er zaten, lieten zich niet verjagen. De Fransen kwamen even voor 1800 in het dorp en bezetten het gebied rondom. Daarna werd het onder gebracht onder het koninkrijk van de Pruisen. In de WO2 was het dorp van groot tactisch en strategisch belang tijdens de openingsfase bij de Slag om de Ardennen.

Monschau, Germany Monschau, Germany

Monschau, Germany Monschau, Germany

Monschau, Germany Monschau, Germany

Monschau, Germany Monschau, Germany

Monschau, Germany Monschau, Germany

Monschau, Germany Monschau, Germany

 

Woffelsbach aan de Rursee

Omdat Monschau snel bekijken was, maakten we een ritje langs de Obersee & de Rursee. Hier waren wat haarspeld bochten (mooi voor motorrijders) en zo reden we op de Rursee af. Hier is niet bijster veel te beleven. We pikten hier nog een cache op, dat leverde uiteraard vreemde gezichten op. Er was een zeilclub en er vaarden al een paar zeilbootjes. Via Simmerath & Roetgen gingen we weer terug naar huis. Een prachtige middag voor de auto.

Rursee Woffelsbach, Rursee

 

 

 

Praag

Onvoorziene aankomst in Praag

Ceska Filharmonie, Prague

Het is Mei, en de lente is er nog niet echt. We besluiten om naar Praag te gaan voor een paar dagen. We checkten verschillende appartementen en we boeken een luxe etage op tien minuten lopen van het centrum. Toevallig hebben we het drukste weekend van het jaar in Praag uitgezocht. Alleen maar leuk! Onderweg komen we te weten dat het wereldkampioenschap icehockey in Tsjechie wordt gehouden. En op zaterdagavond moet Tsjechie spelen. De Tsjechen zijn gek van deze sport en je zag dan ook overal mensen met icehockey shirts, helmen, en geschminkte hoofden rondlopen. Johana, die ons ontving in het prachtig luxe appartement aan het pleintje Jiřího z Poděbrad (Tevens is hier het gelijknamige metrostation gevestigd. Georg of Joris van Podiebrad was koning van Bohemen en een echte vechter die de stad Praag zonder blikken of blozen innam met een leger van 9.000 man. Hij was een Hussiet) stond ook al ongedurig te wachten om naar de wedstrijd te gaan kijken met vrienden. Ze bood ons een goed veilig parkeerplek aan vervolgens scheurde ze door de stad op weg naar haar huis, en zette ons in het centrum af. Het was een en al drukte, en we wilden op zoek naar wat eten en slenterden eerst langs de Vltava (Moldau kan ook) rivier en genoten van de zonsondergang bij het Rudolfinum, waar al sinds 1946 het Tjechse filharmonisch orkest zetelt. Vroeger heeft het nog een tijdje dienst gedaan als het parlement van Tsjechoslowakije.  Praag in de schemer is dan een goede binnenkomer: romantisch & lieflijk.

Prague

Prague

Het verbaasde me meteen al dat Praag ” zo mooi” was. In mijn hoofd had ik het idee van smerige zwart/gelige gebouwen, arme sloebers bij stations, overal plassen en modder, alles oud (Oostblokstylo] en veel stank. Ik moest echter meteen al hard mijn beeld bijstellen toen ik naar het centrum reed. De gebouwen in het centrum zijn zeer schoon, en vergelijkbaar met Parijs. Waar Parijs strak, en soms wat kil wittig aandoet, brengt Praag de schwung naar voren; de intieme kronkelende straatjes, de soms net niet perfectie en het oude geeft meer sfeer & authenticiteit dan Parijs. De kleuren zijn vriendelijker en warmer, en de taal maakt het een en ander ook mystieker dan Parijs, waar je de helft wel van snapt als je er door heen slentert. We liepen via allemaal mooie slingersteegjes en over kinderkopjes en hadden dorst, en kwamen het Hard Rock Cafe Prague tegen waar we op het terras wat dronken. Daarna op zoek naar een pizzeria, dat duurde even en we zagen overal eettentjes, maar die waren niet vegetarisch. Eenmaal aangekomen moesten we erg lang wachten voordat we ons maal kregen, en bij navraag was de ober ons vergeten maar het was erg lekker allemaal en de gastheer deed alsof hij een beetje Italiaans was, dus het was wel best. Omdat het al best laat was en we best moe waren, wilde ik eerst met de metro naar de etage, de rest wou lopen, maar ik dacht dat het te ver was en m’n voeten het niet zouden trekken. Het metrostation Můstek – A was (logisch) vies, er hingen wat drugsverslaafden rond in de portalen en het was een gedoe met betalen, dus besloten we om toch maar te gaan lopen. We kwamen over brede allee’s en waren binnen een kwartier weer bij de etage. Onderweg mooie winkels, mooie gebouwen, en niet een onveilig gevoel.

De marathon van Praag 

Jiriho Z Podebrad, Prague Prague, Zahrada Na Baště

De eerste dag waren we al vroeg wakker, de auto’s reden voor ons kamer langs, en dat waren we eventjes niet meer gewend. Maar het gaf niet want de zon scheen, en we hadden zin in de dag. Er was vanalles te doen, maar wat dat wisten we niet precies. Ik had me niet zo goed ingelezen in Praag (helaas, maar ook een goede reden om er weer een keer naar terug te keren) maar gelukkig was de marathon van Praag onze redding. Omdat Tessa Boot zich in ons reisgezelschap bevond, en we als mannen en vrouwen gescheiden de ochtend van de marathon spendeerden, dachten we een streepje voor te hebben op het normale publiek in termen van vipzitplaatsen, goodiebags etc. De vipzitplaats was er wel maar helaas bleek het dat Rein & Rudie meer succes hadden met hun Aziatische fan die maar niet bij hun weg te slaan was. Ondertussen keken wij bij de laatste meters aan de finishlijn hoe Felix Kipchirchir Kandie eerste werd met 2 uren 8 minuten en 32 seconden. Ook zagen we Yebrgual Melese als eerste vrouw finishen. Zij rende de 42km in 2 uren, 23 minuten en 49 seconden. Daarna snel naar de vipseats om de uitreiking te kijken die recht voor ons plaatsvond. Tof om te zien, en heel de ochtend/begin van de middag stond nog in het teken van de marathon want overal liepen mensen. Hopelijk hebben we met ons uitbundige aanmoedigingen menigeen naar de finish geholpen.

Volkswagen Prague Marathon 2015 from RunCzech on Vimeo.

 

Te kort in Josefov

Na al het ge-marathon (dachten we) gingen we naar de Joodse wijk en dronken daar meteen maar een koffie bij VKolkovnē. Dit restaurant is recht tegenover het standbeeld van Franz Kafka gelegen (gemaakt door David Černý) en ligt vier straatjes van zijn geboorteplaats. Kafka(Joods, maar hij deed alleen Bar Mitswa en verdiepte zich door zijn latere vrouw in de Talmoed) werd geboren in Praag en stierf aan tbc in Wenen. Hij werd begraven op de Nieuwe Joodse begraafplaats die twee minuten lopen van ons appartement af ligt. Wil je meer snelle informatie over Kafka klik dan HIER op. Ook is hier de Španělská synagoga of te wel de Spaanse Synagoge die in 1868 gebouwd werd en die niks met Spanje te doen heeft. In de WO2 gebruikten de Duitsers deze synagoge om gestolen spullen van de Joden op te slaan. Nu is het een museum klik klik en er worden ook concerten gegeven.

Josefov, Prague

Siroka, Josefov,

De mensen zaten al buiten op terrasjes. Het is hier heerlijk in de lente, er stond ook nog eens bijna geen wind en we zaten in de luwte dus het was totaal niet koud. Ondertussen konden we bedenken waar we heen wilden. Zonder gids is het niet zo handig, maar we besloten om eerst wat door de Joodse wijk te wandelen en bij de Joodse synagoge Pinkas en de  begraafplaats met zijn bijzondere bouw langs te gaan. Daar was het al druk en het kostte ook doekoe dus besloten we om door te lopen. Rein & ik hadden wel plaatjes gezien op da webz, dus hoefden we er niet speciaal in, er zijn echter wel een aantal speciale verhalen aan deze plek verbonden. In de synagoge zijn op de muren de namen, geboorte en sterfdatum van 78.000 Tjechische en Moravische Joden geschreven die in de holocaust zijn omgekomen. Op de eerste verdieping is een verzameling (totaal van 4500) van kindertekeningen te zien die Joodse kinderen tijdens geheime tekenlessen in Theresienstadt maakten. De tekenlessen werden door kunstenares Friedl Dicker-Brandeis gegeven, zij was Oostenrijkse, Joods en stierf in Auschwitz. Ze liet de kinderen als verwerking tekenen. Een soort creatieve therapie om hun ervaringen en het leven in de ghetto te verwerken.

Josefov, Prague Josefov, Prague

Ik wil zeker nog eens terug om synagoges en belangrijke plekken in de Joodse wijk te bezoeken, als ik me hierin nog wat meer heb kunnen verdiepen. De paar boeken & artikels die ik tot nu toe heb gelezen over Joden in Praag en het bijzonder in Josefov zijn nog niet genoeg.

Een middag in Mala Strana/ Hradčany

Kehradu Prague

We kwamen aan bij de Mánesūv brug en zagen alweer hondertallen lopers met het zweet op het gezicht de oversteek maken naar Mala Strana, waar ook wij heen zouden gaan. Het was al bijna lunchtijd en we zouden gaan eten bij LoVeg. Een veganistisch eettentje op een heel mooi verscholen plaatsje op zolder aan de Nerudova. Het rook er naar Indiaase kruiden en het was erg gezellig ingericht. Dat eerste vind ik niet zo positief, maar ik hou gewoon niet van Indiaas – dus – vandaar. Er is ook een heel klein terras waar maar een paar zitplaatsen zijn. Ik bestelde een heerlijke vegan mozzerella/tomaat voorgerecht en een (rode bieten)burger die ik niet lekker vond en dus niet verorberde en droomde dat ik een gewone veggieburger aan het eten was. Rudie, Rein en Tessa vonden het eten (soort snert + burgers) goed smaken. Het zag er qua kleur en opmaak ook allemaal voortreffelijk uit. Ook het drinken was oke. Als je van de veganistische Indiaase keuken houdt, dan is dit wel een aanrader, helemaal in de combinatie met de plek. En gelukkig zijn er meer loVende reacties op Trip Advisor te vinden over LoVeg.

Lo Veg, Prague Lo Veg, Prague

 

Na het eten struinden we wat rond op weg naar de Praagse Burcht met daarop het Schwarzenbersky Paleis en vervolgens de Sint Vitus Kathedraal. Er staan muzikanten met gitaren te zingen, het geeft iets romantisch. Karel de 4e vond het belangrijk om de grootste kathedraal van Europa hier te bouwen. Daarom legde hij in 1344 de eerste steen voor de bouw. Verschillende architecten bouwden de kerk op in verschillende stijlen en na 600 jaar was de kerk in 1929 af. Deze kathedraal bezit de grootste klok van Bohemen: hij is 2 meter hoog, 2,5 meter breed en weeg 17 ton. Naast de grote klok was dit ook de kerk waar de koningen vroeger gekroond werden en waar ze begraven werden. Via de tuinen van Furstenberská zijn we naar het Franz Kafka museum gelopen, daar staat het beeld Piss. Wederom gemaakt door David Černý. Je ziet twee plassende mannen, die naar het schijnt plassen over het land Tsjechie. Dat kun je natuurlijk dubbel bekijken: vruchtbaarheid of op z’n Kafkaiaans. Je kunt zelfs een sms-je sturen en dan schrijft de fontein het gestuurde bericht in het water. Wij vonden het nogal een vreemd object en liepen daarom snel door naar het terras van het Kafkamuseum waar we met het uitzicht op de Vltave en de Karelsbrug.Daar zagen we de drukte al. Allemaal mensen die over die brug liepen. En allemaal potentiële zakkenrollers. Toch moesten en zouden we er na de koffie overheen. De beelden die rond 1700 zijn gemaakt mogen dan niet allemaal meer echt zijn, ze zijn wel het bekijken meer dan waard. De Karelsbrug is uiteraard weer vernoemd naar Koning Karel de 4e, die ook hiervoor de eerste steen legde. Mocht je de echte beelden willen zien dan kun je naar het Praagse Lapidarium (click)gaan. Een lapidarium is een bewaarplek voor stenen; in dit geval beelden. Als de beelden van de Karelsbrug niet in het lapidarium van Praag hadden gestaan, hadden ze er nu vast heel anders uitgezien als ze er uberhaupt nog stonden. De samenstelling van de beelden was namelijk nogal van broos steen.

Prague, Karlův most Mala Strana, Prague

Na de brug en alle cartoontekenaars te hebben bekeken, vonden onze benen en voeten het tijd om uit te rusten. We slenterden de hele dag al rond. We kwamen aan bij Grand Cafe Orient waar we op de eerste etage een warme maaltijd in de vorm van taart en apfelstrudel namen. Wel zo gemakkelijk en goed om uit te rusten. Met uitzicht op een T splitsing was er genoeg op straat te zien en zagen we de middag overgaan in de avond.

Prague Prague

We liepen langs een wat onbekendere route terug naar het appartement, nooit had ik verwacht dat de straten in Praag zo konden stijgen en dalen.

Karlov Most, Prague Karluv Most, Prague

Žižkov 

Prague, Mahlerovy sady

De tweede dag werden we rustig wakker en besloten om naar de televisitoren Žižkov te gaan. Vanuit ons appartement was dat een minuutje lopen. Deze toren is gebouwd op de heuvel (daarom stegen we zo) en overkijkt de stad en delen rondom Praag. Hij is dan ook 216 meter hoog. Het is echt niet een mooie toren om te zien, een soort van Oostblok ding, het is – eerlijk – niet om aan te zien. Je wordt triest van deze doorn in je oog. Er lopen baby’s over de toren heen, die wederom zijn ontworpen door David Černý, om de toren een beetje op te fleuren. ‘s Nachts stralen de baby’s de kleuren rood wit en blauw uit. Maar toch maar naar boven samen met Rein en Tessa terwijl Rudie koffiedronk in het parkje wat aan de toren vastzit. Het was een beetje bewolkt en daardoor was het uitzicht goed. Je kunt duidelijk het centrum zien, maar ook ver daar buiten. Verder is er niet veel te doen in de toren. Er zijn een paar zit-eien met zeegeluiden erin waarin je kunt schommelen en turen over het Tjechse landschap. Na wat foto’s te hebben geschoten gingen we koffiedrinken en bezocht ik vanachter de hekken het oud Joodse kerkhof Žižkov. In 1680 was dit kerkhof er al en vooral toen de Pest huishield werden er veel mensen begraven. Toen koning Joseph de 2e aan de macht was raakte dit kerkhof in zwang, want Joseph wilde niet dat er nog mensen in de binnenstad begraven werden in Josefov. Pas toen het nieuwe Joodse kerkhof wat even verderop ligt geopend werd raakte dit kerkhof waar ongeveer 40.000 mensen begraven liggen, wat in de vergetelheid.

Weer naar Hradčany 

Fürstenberská zahrada

Omdat we toch de romantiek en het klein verkozen boven het stadse en de drukte besloten we om nog een keer naar Hradčany te gaan. Via weer allemaal nieuwe weggetjes door het centrum kwamen we weer in de mooie wijk op de heuvel. In een wijngaard dronken we koffie en het begon ook al erg warm te worden, daar zaten we dan met de winterjas aan en twintig graden op de thermometer. Toch zullen we verder moeten, want er is nog genoeg te zien. Al samen wandelend met een stel Aziatische toeristen hebben we samen veel lol, wij om hen en zij om ons. Wij zijn bij de Jiřská en overkijken de stad. Hier begint werelds grootste burcht, die ongeveer 130 meter wijd is en 570 meter lang. Bij de poort aan de oostzijde staan wachters, die uiteraard strak voor zich uitkijken. Als we ‘s middags in de stad wandelen ziet Rein 1 van dezelfde wachters in zijn burgerkloffie en roept naar hem, maar hij reageert niet.

Černá věž, Prague Prague, Loreta Hotel

We lopen de Jiřská af en komen uit bij het plein aan de westzijde waar een of andere hippie staat te schreeuwen/protesteren maar niemand trekt zich er iets van aan. Weer lopen we op een of ander plein met een kerk en schilderachtige straatjes. Fotomomenten alom.

Prague Prague

We lopen verder naar Panny Marie Andēlské, dit is het oudste (1600 gesticht) capucijner klooster van Bohemen. Tijdens de WO2 was het klooster een gevangenis en toen de oorlog voorbij was kwamen de monniken terug maar ze werden na vijf jaar met geweld verdreven omdat de Tsjechoslowaakse contraspionage het gebouw wil gebruiken. Pas in de jaren ’90 is het klooster weer een klooster zoals het behoort te zijn. Je kunt zelfs een aantal nachten blijven slapen in het klooster. Een zeer goed uitgangspunt om de stad te bekijken. Misschien denk je dat de Kapucini ouderwets zijn, maar ik durf te wedden dat je niet had gedacht dat ze facebook hebben. Het Loreta, wat we eigenlijk ook op onze wishlist hadden staan, hebben we over geslagen. Dit is een klooster maar ook een soort pelgrimsunit aka landmark in Praag. Van buiten zag het er wat apart uit en we hadden trek in eten, dus kozen broodjes voor ons geld. Dat spendeerden we bij La Patisserie aan een broodje kaas.

Thunovska, Prague Prague

Na wat te zijn uitgerust, en wat Hollandse toeristen te hebben bekeken vervolgden we ons weg naar het volgende klooster wat op het programma stond. We hoefden niet in het klooster maar wilden er een glimp van opvangen, je ziet het witte Strahovsky Klooster vanuit het centrum liggen als je goed kijkt. Het klooster is in 1143 opgericht. In 1420 werd het klooster bestormd en afgebrand door de Hussieten (een protestantse stroming in Bohemen, waar koning Joris van Podiebrad dus 13 jaar de scepter over zwaaide). Ook het Zweedse leger plunderde dit klooster. Op een gegeven moment werd er een bibliotheek ingebouwd waarin nu heel belangrijke eerste drukken van boeken liggen.

Prague, Mala Strana Prague, Petřínská rozhledna

Na wat rond te hebben gekeken wandelden we door de Petrínské Sady (tuinen/park) naar de Petrín toren. Dit park is echt een aanrader, het heuvelt, je loopt met een uitzicht over de stad, en je hebt het idee dat je ver uit het centrum bent. Het is er stil en de bomen zijn groot, de hellingen steilig en de huizen die je tegen komt zijn typisch. Je kunt een stukje langs de Hladová zeď (honger muur) wandelen. Dit was vroeger een verdedigingsmuur van wel vier en halve meter hoog. Zo kon men de Mala Strana minder goed aanvallen en was de burcht goed beschermd tegen indringers.

Prague, Petřínské sady

Prague, Petřínské sady

We konden de Petrín toren slecht vinden, hij toornende bijna niet boven de bomen uit. Dit torentje is een replica van de Eiffeltoren en is rond de 60 meter hoog. Rein wilde in de toren, hij moest met een lift en aangezien het warm en plakkerig was vonden wij het wel lekker om wat te drinken. Deze plek was vervuld van mensen, schreeuwende kinderen en hondjes die uitgelaten werden in het park. Met de funiculi gingen we 510 meter steil naar beneden. Erg geinig om een ritje mee te maken. Beneden aangekomen lopen we het centrum weer in via het eilandje Streleckÿ.

Prague, Vltava Prague

Precies op tijd zijn we bij de klokken van het Raadhuis aan het Staroměstské náměstí (Oude Plein), en zodra ze slaan lopen we mooi voor het publiek langs. Dan drinken we nog wat bij een barretje.  We gaan op zoek naar wat eten, en besluiten om te eten wat we willen: Rein & Tessa kiezen voor een vegan dinner in een zaakje waar we al waren wezen kijken, en genieten van hun vegan worstenbroodjes. Wij lopen met de zon in ons gezicht weer naar Mala Strana om daar eerst nog wat sfeer te proeven langs de kaden en in de straten. Mensen komen steeds meer in de lente sferen. Vrouwen gaan in hun hemden op de foto op de bruggen met de rivier op de achtergrond, lopen in korte broeken en rokjes, en steeds meer waterfietsen verspreiden zich vanaf het eilandje.We kiezen voor Pizzeria Capretto waar we genieten van een simpele pizza en een superleuke bediening. We zijn al snel onwennig van elkaar en spreken af bij het Oude plein. Vanuit daar banjeren we doelloos door de stad, eigenlijk willen we nog niet weg, maar we hebben een goede redenen om snel terug te komen naar deze prachtige stad vol geschiedenis en verhalen!

Doei Praag!

Prague

Op de derde ochtend moeten we afscheid nemen, van het luxe huis en de leuke gastheer en vrouw Willem & Johana, en van de leuke wijk waar zaten. Dat doen we dan ook maar in stijl. Aan het einde van het blok zit een bakkerij/cafe Le Caveau waar we verse jus, vers brood en koffie drinken op het terras in de zon, bijna onder de bloesem. Gewoon omdat het kon. En dan rijden we terug naar het moaie Fryslân.

Voor meer foto’s klik je hier of bovenin de pagina op de Flickr button.

 

 

 

 

 

 

 

 

Auschwitz

Een in een opwelling ontstaan idee. Laten we over twee weken naar Auschwitz gaan. Omdat het 70 jaar geleden is dat de oorlog voorbij is, en Auschwitz niet meer Auschwitz was zoals het was. Gelukkig.  100 min 30 = 70. Minder dan een eeuw bij ons vandaan, ruimschoots meer dan een halve eeuw om niet te vergeten. Om te voelen wat het met je doet, de stilte en de leegte van zeventig jaar geleden, en de geluidloze gedachten van de onbekenden. En de geluidloze gedachten van jezelf.

Liep hier zo als je voeten liepen

Vol angst in de stilte

Liep je

Liep ik

Vol angst voor wat jij voelde

Liepen je voeten zo stil

Zo liep je

Zo liep ik

Dezelfde paden

Levens zo verschillend

Het gevoel

Gelijk

Auschwitz, Poland

Auschwitz, Poland

Auschwitz, Poland

Birkenau, Poland

Birkenau, Poland

Auschwitz, Poland

Auschwitz, Poland

Krakau

Poland  Poland

Op een donderdagavond 29 april reden Rein, Tessa, Rudie en ik vanuit Ureterp richting Krakow, Polen. We zouden daar een dag verblijven om de stad te bekijken, toevallig viel deze dag op 1 mei de dag van de Arbeid. Zoals je misschien wel weet, werd deze dag ten tijde dat Polen een volksrepubliek was, groots gevierd. Overal werden marsen gehouden, door instellingen en studenten, men liep met spandoeken waarop socialistische leuzen stonden. Nu die tijd bijna 26 jaar achter ons ligt, is ook de belangrijkheid van deze dag afgenomen. De vakbonden en linkse partijen protesteren op deze dag nog. Voor de kerk is 1 mei uiteraard wel een belangrijke dag. Het is dan de dag van Joseph de arbeider, en daar worden missen aan opgediend. De rit liep -afgezien van de 80km vanaf Cottbus Polen in – prettig en snel. Tricky momentje beleefden we net over de Poolse grens, de tank op dikke reserve en alleen maar bos, en een vreselijke bumpy road, geen tankstation open in de nacht, geen internet en geen borden. Tip is om via Leipzig te rijden, want aan deze weg is sinds 1934 niets meer gedaan.

Aankomst

Ik had me van te voren goed ingelezen in wat er in Krakow, een van de oudste steden van Polen, te doen was. Krakow is vernoemd naar zijn stichter (Grakch) Vroeger was dit een stad van groot historisch & cultureel belang, het was een stad die aan de Barnsteenroute (Barnsteen is versteende hars) lag, een handelsroute die onder andere van de Oostzee naar Rome liep. Oostenrijk deed veel handel met de stad, en mede daardoor kon Krakow groeien. Om nu een heel relaas te houden over de stad, lijkt me wat veel dus ik zal de informatie beperkt houden tot wat we hebben gezien. Daarbij zal ik Krakau niet Krakau noemen, maar Krakow.

Kraków Poland

 

We hadden een kamer geboekt in het Atlantis Hostel aan de Dietla, en daar reden we dan ook meteen maar heen. Het gebouw is netjes gerenoveerd, en is schoon en veilig. Tevens ligt het precies tussen de Joodse wijk & het oude centrum in. Op de kamer mochten we even een tukje doen, omdat we in een ruk door waren gereden, en best wel gesloopt waren ( de tiid hald gjin skoft no). Na een uurtje werden we weer wakker en liepen het centrum in. De eerste plek waar we heen gingen was de Sint Bernard kerk. Uiteraard is dit een katholieke kerk, die niet te zuinig in barokke stijl was uitgevoerd. De kerk is ooit tot op de grond neergebrand door de Polen zelf omdat ze bang waren dat de Zweden het in wilden pikken. We kregen hier een koptelefoon en konden zo wat meer over die kerk leren.

 

Kraków Poland       Kraków Poland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De legende van de draak

Er is een legende die zegt dat er vroeger een grote draak in de kerker onder het kasteel leefde, hij wilde elke week een koe eten, als hij geen koe kreeg dan vrat hij een inwoner van Krakow op. Niemand had het dier ooit nog verslagen. Toen bedacht een schoenmaker met de naam Skuba dat hij een schapenlichaam kon vullen met zwavel. Hij lokte de draak en de draak vrat het schaap op. Natuurlijk kreeg de draak ontzettend veel dorst, en sjokte naar de Wisla waar hij begon te drinken. Hij dronk en dronk en dronk….todat…..hij ontplofte! De schoenmaker was vanaf toen de held van de stad.

Kraków Poland

Aan de andere kant van de straat ligt de Wavelheuvel met daarop het Wavelkasteel & de Wawelska kathedraal. Deze heuvel aka terp was de eerste nederzetting van Krakow, en ligt aan de rivier de Wisla. Vanuit de legende is een beeld van de draak gemaakt, deze staat aan de rivier bij de voet van de berg. De draak kan vuur spuwen, maar dat hebben wij niet gezien. Het Wavelkasteel zag er van buiten mooi uit, maar omdat we maar 1 dag hadden besloten we niet naar binnen te gaan. We liepen wat rond, zijn in de kathedraal op de Wavelheuvel geweest, en liepen over het plein. Vanuit daar kun je naar beneden lopen richting het oude centrum.

 

Kraków Poland Kraków Poland

Overal zie je kerken in Krakow, ik geloof zelfs dat ze het meeste kerken van alle Europese steden hebben, het zijn er wel 87! (naast zoveel kerken zijn er 5971 historische gebouwen, en en daarom staat Krakow ook op de UNESCO Werelderfgoederen Lijst)Nu houden we alle vier wel van een kerk bezichtigen, maar hier werd je er mee doodgegooid. We besloten dan ook twee of drie kerken maximaal te bezoeken en voor de rest rond te slenteren. Dat slenteren kon niet gebeuren zonder een goed gevulde maag, daarom gingen we naar Wielo Pole 3 een vegan restaurant in een kelder. Het eten was zowat gratis! De bediening was daarentegen niet zo vlot en vrolijk. Het eten was oke.

Krakow, Poland

 

Via het prachtige Planty (een soort park-ring om het oude centrum heen) naar een volgende kerk. Daar aangekomen liepen we dwalend door een kerk (ik weet helaas de naam niet meer) en kwamen op een gegeven moment helemaal achterin een gedeelte waar het vrij stil was, je kon voor de koorbanken langslopen een soort kamer in. Er liep een heel jonge priester rond maar verder geen ‘ gewone ‘ mensen. Toen we vroegen wat er aan de hand was, vertelde de priester dat de mis over een minuut zou beginnen. Oops, we liepen dus ergens waar we niet hoorden te zijn, maar hij vond het geen probleem.

Kraków Poland    Kraków Poland

 

Uiteraard moesten we ook door de Kanonicza lopen, dit schijnt het mooiste straatje van Polen te zijn. Je hebt hier zicht op het Wavelkasteel, en vroeger woonden alle notabelen hier. Ik vond het straatje niet heel speciaal, maar misschien zag ik het ook wel vanuit een niet Pools uitgangspunt. Want met Parijs valt het niet te vergelijken.

Krakow, Poland  Krakow, Poland

 

Op een gegeven moment kwamen we op het stadsplein (Rynek Główny.). In heel veel huizen rondom het plein is veel geschiedenis terug te vinden. De gebouwen zien er schoon en keurig uit. Iets wat bij mij moet wennen omdat ik nog altijd het idee heb dat Polen, vies verrot en verlept is. In het midden van het plein staat de Lakenhal (Sukiennice). Een lakenhal diende vroeger als een plek waar men lakenstof opsloeg. En een laken was geen laken zoals nu maar een laken was een soort van dikke wollige stof, die slijtvast, warm en duurzaam was. Het werd al gedragen door de Kelten, maar later pikten de Romeinen deze stofsoort snel op. Men handelde vroeger, na het alleen te hebben gebruikt voor lakenstofopslag, in kruiden, zijde, leer en was. Nu vind je er typisch toeristische prulletjes en dingentjes. Ik vond het niet zo leuk in de Lakenhal, het was er druk en iedereen drong, een mooi plek voor pickpockets. Na dit alles te hebben aanschouwd gingen we aan het plein een drankje doen, de warmtebak stond aan en we hadden een kleedje om. Voor ons stonden koetsen die toeristen een ritje aanboden. Verder superleuk om te zien wat er gebeurde en wat voor soort mensen hier allemaal rondliepen. We wilden toch nog de Mariakerk bezoeken, en God wat een prachtig gewelf! Turquoise met een gouden sterrenhemel. Heel gaaf om te zien. Helaas mocht je geen foto’s maken, en daarop werd je ook streng aangesproken door suppoosten die in veelvoud rondliepen. We besloten om richting de wijk Kazimierz te lopen.

 

Kraków Poland    Kraków Poland

In Krakow hadden zich veel Joden gevestigd. Toen de Duitsers Polen invielen bij Krakow aankwamen, woonden er 68 duizend Joden in Krakow. Veel van de Joden woonden in de wijk Kazimierz, die net de zuiden van het oude centrum & de Dietla ligt. Ze werden bijeen gepakt en met z’n 15.000-den geherbergd in de Ghetto van Krakau, die in de wijk Podgorze lag. De mensen die in Podgorze woonden, konden naar Kazimierz toe en daar een huis betrekken. Eigenlijk was er maar plek voor 3.000 mensen in het Ghetto dus ziektes verspreidden zich snel. De honger werd erger en erger, en men kon niet ontsnappen omdat er een muur om de Ghetto heen stond. Mensen werden er snel oud, en voorraden raakten er op. Middenstanders moesten hun winkeltjes sluiten, en konden niets meer doen. Wel was er verzet vanaf de Joodse kant, een Joods meisje infiltreerde bij de Nazi’s om informatie los te peuteren zodat ze mensen konden helpen te overleven. Daarvoor werkte ze op het Wavelkasteel, wat in beslag was genomen door de Nazi’s. Twee jaar nadat de oorlog begon gingen de eerste Joden naar het concentratiekamp en werden vernietigd. Een jaar later, in 1943 was het gedaan met het Ghetto, het werd ontruimd, en daarbij werden zo’n 2.000 mensen omgebracht.

Kraków Poland

In Kazimierz is heel veel te zien, helaas was hadden wij er geen tijd voor. Er zijn 6 synagoges te bezoeken, en het Remuh kerkhof is nog steeds veel bezocht door Joden vanuit de hele wereld. Daarnaast is dit echt een upcomping (oops – hipsterachtige) wijk aan het worden, met veel kleine leuke barretjes om wat te drinken (ook op het terras) of te eten. Zo aten wij bij Nova Krova een veganburger bistro. De burgers waren heerlijk, alleen de vegan cheesecake was als een soort van oneetbaar suikerloos materiaal. Ook hier viel het me weer op hoe westers alles is, modern, gewoon normaal geen oostblok gevoel. Na het eten hebben we in het schemerdonker een wandeling gemaakt door de wijk en hier viel wederom de gezelligheid op, mensen op terrasjes, overal drukte. Omdat we virtueel al meer dan 24 uur wakker waren, gingen we terug naar de Dietla. Daar sliepen we al snel.

Krakow, Poland

vertrek

We werden wakker en het leek een druilerige dag te worden. We konden nog even Krakow in om een ontbijtje te scoren. Uiteraard kozen we voor eclairs & croissants. En zo lieten we Krakow achter ons. Een flitsbezoek aan een stad vol verhalen.

Wil je meer lezen over Krakow & de WO2?
– Moffenmeisje – Pam Jenoff
– Het meisje in de rode jas – Roma Ligocka

Wil je meer zien over Krakow & de WO2?
– Schindlers List

Ieper 2014

Ieper was weer leuk! Er speelden veel vette bands, waaronder No Warning en No Zodiac. We verbleven drie nachten in een boerderij in Westouter, wat pal aan de Franse grens ligt. De koeien stonden in de stal, en hoorde je steeds loeien. Het deel van de boerderij was erg donker maar groot genoeg voor Rudie, Timpz, Franke, KJ, Ruben, Nynke, Iris en mij. Tessa & Rein waren op vakantie in een ander land dus die waren niet mee.Vanuit de boerderij gingen we op de fiets of in de auto naar het festivalterrein. Het weer zat niet altijd zo mee, op de zondag was er alleen maar regen, zaterdag was het korte broeken weer en vrijdag hoosde het toen het middag was. Niels belandde met een blessure in het ziekenhuis. Iris & Franke hadden de distro mee, en het was een heel gesleep om alle spullen door de modder en hooi naar de tent te krijgen waar ze stonden. Ik liep zelf nog met krukken omdat mijn voet het nog niet goed deed, en ging in de avond vroeg slapen, daardoor heb ik Maaike & Pedro niet gezien. We hebben weer een aantal nieuwe oorlogs-dingen bekeken, dit blijft altijd vet. Hieronder zie je een foto impressie van wat we gedaan hebben.

België

België

België

België

België

Belgium

België

België

België

België

België

Belgique

 

10417517_881634558521369_855637128562637552_n

10551107_10152121877242242_7969595323562612686_n

10576965_10152216364181078_2075039569091576289_n

Terschelling

Terschelling is een prachtig eiland, helemaal om je veertig jarig samenzijn te vieren. In oktober vermengen de kleuren van het zand en het gras in de duinen zich langzaam met de kleuren van de bomen en struiken, en ruik je de zee als je op de fiets zit, als je trapt is het nog net niet helemaal koud, en het licht van de zon voelt nog als zomer. Vanuit Midsland konden we per fiets overal heen, en genoten we van gebakjes, warme maaltijden en heerlijke ontbijtjes, dit kun je in het filmpje bekijken. Met de liefste mensen om je heen zijn deze dagen een kostbare herinnering.

Terschelling Terschelling

Terschelling

 

Terschelling Terschelling           Terschelling

Terschelling

Terschelling      Terschelling

Sardinië september 2014

Onderweg van Fessenheim naar Genova

Nog voordat we de snelweg op zouden keren dacht Rudie dat ik de verkeerde kant oprijden zou. Laat ik nu al vier jaar steeds de goede afslag kiezen, en dat deed ik nu ook. Nabij Arnhem werd een licht vervangen en kwam Rudie z’n eigen tandarts tegen in het tankstation, waarbij hij dezelfde middag nog op de stoel lag om een kies te restaureren. Duitsland reed vlot en Basel was snel in zicht. Omdat we wilden tanken namen we een afslag, en die leidde naar Fessenheim. Fessenheim klinkt Duits maar ligt toch echt in Frankrijk. Een paar kilometer vanaf de Rijn. En de Rijn bestaat hier uit twee gedeelten, een meanderend gedeelte en een meer gestructureerde tak. Langs de tweede gaat het vracht verkeer door een enorme sluis met een heel groot hoogte verschil. Pal daarnaast ligt een waterkrachtcentrale die megahoog is. In het steen staan werkende mannen afgebeeld, het geheel deed me wat luguber aan. Vlakbij ligt er ook een kerncentrale, het is de oudste van Frankrijk, en er schijnt heel wat geheibel over te zijn. Wat we ons afvroegen was wat de Duitsers van deze centrale vinden. De centrale ligt zo goed als tegen Duits grondgebied aan. Als er wat gebeurd, hoe werkt het dan? Het leek alsof we een film binnenreden, overal waren bloemen aan de kant van de weg, struiken lavendel, en het gras was netjes gekapt. Het bleek dat we in een Ville de Fleur waren beland. Overal stond mannetjes met kleine karretjes water aan de planten te geven. We dronken wat in een cafe, en reden daarna rustig door naar Basel. Rond tien uur reden we door de grensstad op weg naar Chiasso, het volgende passagepunt. Daartussen besloten we rustig aan te doen. We hoefden immers pas om 20:00 in Genova te zijn. Na Luzern rijd je altijd langs de Vierwaldstattersee en ook namen we weer eens de Gotthardpas,  die na het zien van enkele dangerous roads afleveringen, geen spanning meer bracht. Een groep Vrinden reden met hun Maserati’s ook de pas over, mooi gezicht 14 van die bolides. Na Chiasso reden we op ons gemak naar Genova. In Pegli was een ongeluk en stonden we even stil. Invoegen & wisselen van rijstrook omdat je gewoon naar de porto moet, blijft hier een leuk spel voor de zenuwen. Pietro denkt hoogstwaarschijnlijk dat je toch op het laatste moment nog even van rechts hem wilt inhalen, en gunt je deze actie niet, is druk aan het bellen en gebaren en trapt daarbij nog even het gas in. We hebben geen botsingen gehad hoor, en mijn hart klopt ook niet meer harder door zulke acties. In de haven kon ik eindelijk weer Italiaans oefenen ( februari was de laatste x toen waren we in Rome.) en het ging in 1 keer goed met het wisselen van de kaartjes. De man die eerst achter de incheck van de vrachtwagen zat, waar we niet bij de balie mochten staan en waar het rolluikje demonstratief dichtging, verscheen dertig seconden later lachend (zie je ook niet vaak) achter de “normalo” balie, en daar kon alles. We kregen zelfs al €34 korting als we de terugreis ook met de Mobylines traghetti zouden varen vanaf Sardinië. Leuk. Ik vind Genova een enge vieze stad, en durf er niet alleen te lopen en klik hysterisch de auto dicht als ik er alleen in zit. Nog liever dood door de hitte dan kans op een inbraak of enge mensen om je heen die precies door de kleinste opening van het raam iets aan je proberen te verkopen. En daarom lees ik nu La Superba, geschreven door Ilja Pfeijffer,en ik ben ervan overtuigd dat ik Ilja vorig jaar heb gezien toen ik daar op een terras zat, op een hoekje tegenover een kerk, het stonk vanuit de steeg naar vis. Ik vond Ilja toen ook eng, een man in pak, met lang haar die wat omhangt en niets doet dan loeren, die vergeet je niet. Gelukkig hoefden we nu niet de stad in. Om half negen was het nog dertig graden en toen er een paar regendruppels vielen reden we de boot op.  Hoelaat we zouden vertrekken wat te doen bij nood werd ons niet verteld. We sliepen in een binnenhut (voor de verandering) en zo in de nacht hadden we geen idee of we nu naar voren of achteruit vaarden. Ik dacht dat op een Moby schip alles mooi en gezellig zou zijn..r .

Aankomst op Porto Pollo

Vrijdagochtend om 6.19 lijkt het alsof er iemand op de deur klopt en iets zegt. Het alarm gaat pas om 7.00 en daarom trek ik me er niets van aan. Daarnaast zal er toch wel iemand door de speakers schreeuwen dat we er over zoveel minuten zijn en dat we naar de auto moeten, net als bij Sardinia Ferries of Tirrenia. Daar word je al drie uur voor aankomst gek van de reclames & onverstaanbaar “Engels” sprekende mevrouwen. Ook de aircos op die boten zijn niet oke, iedere keer weer kom ik er met rode droge ogen vandaan. Van die kleine scheepshotelkamertje had ik niets beters verwacht, maar niks te klagen, alles was in orde en de boot Drea(M) zat strak in de lak en stonk niet. En aan boord heerste, net als bij de loveboat, hierarchie. Om iets na zevenen ging de deur open, “mevrouw, wij gaan nu!” Ok dan, snel de handdoek uit m’n haar en naar het dek. Daar zagen  we Olbia al liggen. Om iets na achten reden Aldo z’n vrouw (een man die we hadden leren kennen) en vele anderen de vaste grond op naar een eiland waarvan de meesten net in hun hart hebben gesloten, of dat bij terugkeer naar het vaste land zeker gaan doen. Op naar Palau voor boodschappen en the caldo en een cappu in de ochtend. Daarna door naar Isola dei Gabbiani.  Dit eiland (schier, maar dan ook echt) ligt voor Porto Pollo (Pollo is een kip en Puddu is kip in het Sardo, en pollo en portu is haven ) en verdeeld het strand voor windsurfers in een choppy  en flatte spot. We zijn hier al enkele malen geweest en omdat het op vrijdag lekker zou kunnen gaan waaien zodat we zouden kunnen gaan surfen streken we hier weer eens neer. Ooit at een schildpad hier een appel op die ik achteloos naast de tent had gegooid. De camping is verbeterd, werd je eerst ontvangen door een lief Engels mens in een schamele houten barak, nu zaten er twee Italiaanse (en Engels sprekende) receptionistes in een helder wit met schuifpui voorziene nieuwe receptie. Op de golfkar (di me tutto) reden we naar het chillste plekje van de camping. Aan de noordkant met zicht op Spargi, Maddalena èn Corsica kreeg de tent een plek. De rest van de dag zonden we wat en liepen naar het stand. De mensen die daar werken zijn niet zo goed herkenbaar en zijn soms wat onbenaderbaar (hallo klantvriendelijkheid) want je moet ‘gewoon’ vragen. Maar ja als iedereen er als surfdude uitziet, dan weet je het soms niet meer. Gelukkig werkt er deze zomer een Vlaams meisje die het leuk vindt om Vlaams te praten, dus dan is’t wel handig. Er lag weer allemaal nieuw spul, dus hopelijk surfen op zaterdag. Mijn voet is nog niet helemaal de oude, en na 7 uren straight rijden heeft ze blijkbaar een optater gehad want ik voel constant “sensatie”, pijn is een te groot woord misschien. ‘S avonds eten we in het nieuwe restaurant en kies ik voor de verandering eens geen pizza funghi.

                                                                     Isola dei Isuledda | Porto Pollu

                                                                                              Isola dei Isuledda | Porto Pollu

Heel de nacht waait het al een beetje, de tentstokken zijn, in tegenstelling tot die van de De Waard tent, hier niet zo goed op berekend. We zitten ook pal op de wind met de voorkant en ‘s nachts word ik enkele keren wakker en besef ik me dat we nog hier liggen en niet 5 meter verderop in de bosjes. De wind is ‘s ochtends weer weg maar om elf uur trekt hij weer aan. De eerste surfers gaan het water op, en als ik m’n tanden ga poetsen planeren er genoeg. Tijd om te gaan. We lopen naar het surfcenter en huren twee sets: starboard futura 120L 2014 en een 5.3 Gaastra voor mij en voor Rudie een Jp 124 & een Gaastra 6.9 en later een Gaastra 7.5 met cambers. Wat lekker om over het azuurblauwe water te varen, en warme wind langs je te voelen. Vreemd om weer eens met een klein wavezeil te varen en ook te planeren. Toen Rudie wisselde ben ik gestopt, toch last van mijn voet. Maar ik heb heerlijk alleen op het strand gezeten, Italiaanse families en bellende personen geobserveerd. Waar komt het toch vandaan dat verrekte gebel. Ik hou niet van bellen, en hier doet men het om de haverklap. Pronto hier, pronto daar, handgebaartjes erbij en ondertussen nog duizend andere dingen doen en kijken of anderen zien of dat jij aan het bellen bent. ‘S avonds was het plan naar Porto Pozzo te gaan, maar eerst kwamen we in Spiaggi di Liscia terecht, een mooie spot met RRD verhuur, misschien leuk voor de zondag om te varen omdat je daar hele lange rakken op tamelijk vlak water kunt varen. Daarna gingen we naar San Pasquale, vanuit dit dorpje wat iets hoger gelegen is kun je een schitterend panorama zien van de baai. Daarna Porto Pozzo, een nieuw en saai zomerdorp wat we snel verruilden voor Palau. We aten weer een heerlijke pizza bij DE pizzeria M’Attizza en strompelden wat door het dorp. Jammer dat we de Corso (hardloopwedstrijd) net hadden gemist.

SardegnaSardegnaSardegna

Heel Palau afgezocht om een plastic mand om in af te wassen en voor een autoparasol. Totdat we in de hoofdstraat kwamen en een van alles winkeltje vonden met twee oudere mensen die Italiaans tegen ons begonnen te spreken omdat ze dachten dat wij daar vandaan kwamen. Gelukkig was hun blauwogige zoon er ook en die vond precies de dingen die nodig waren. Hij vertelde dat hij in het verkeerde land geboren was. Hij hield niet van de warmte, niet van het vocht van de zee wat ze in Palau goed merken, en waardoor alles altijd plakt. Hij wilde liever naar Nederland, Noorwegen, Zweden of Denemarken. Dat wij in Fryslan qua bouwstijl in kleine mini Amsterdammetjes wonen vond hij geweldig. Zijn familie heeft naast de winkel nog een traditonele wijnmakerij (artiginale). Na een lange tijd kletsen namen we afscheid en reden we naar de nieuw gevonden surfspot van gister. We lagen wat ongedurig op het strand, het leek niet heel hard te waaien, kinderen leken te planeren maar die waren zo licht als muggen dus het was wel logisch. Om 13:45 konden we het niet meer aanzien. Rudie ging op een RRd Fire Move 122 ltr en 38 vin & had een RRd Freeride 8.0 en ik ging met een RRd  6.0 Wave & en een RRd freerideboard van 130(!) ltr. Het vaarde zalig over het vlakke nog heldere water dan bij Porto Pollo. We konden mooie rakken maken naar de andere kant van de baai. Het verbaasde me dat de jongere kids hier in grote getale aanwezig zijn en heerlijk lange rakken maken, geen angst op hun gezichten te zien. Na het surfen hebben we gelezen & gezond op het strand, waar alleen Italianen waren. Rustigere Italianen die niet constant belden, of poseerden in het water maar óp het water sportief bezig waren. ‘s Avonds hadden we besloten om zelf te koken. Om geld te besparen om vaker te kunnen surfen. (En volgend jaar gaat de surfkar gewoon mee, want we hebben het eiland over drie weken nu toch echt wel goed bekeken.) Als het waait gaat dit hem echter niet worden, want dan vliegt de gasflesvlam uit. Na de pasta drinken we nog wat bij Rupi’s Bar aan het strand en gaan daarna in de bijna volle maan naar de tent terug.

La Maddalena & Caprera.

Vandaag gaan we naar de Maddalena Archipel. Het hoofdeiland is Maddalena en daarom heen nog heel veel andere eilandjes waaronder Caprera, waar je via een smalle brug  over de Passo della Moneta rijdt met 10km per uur vanaf Maddalena. Dan heb je Spargi, op dit eilandje kijken wij uit als we in de tent liggen, er woont niemand, maar er liggen allemaal zeilboten voor want er ligt een ring met helder water omheen. Daarachter ligt Budelli, en dit eilandje heeft een strand met roze zand. Klinkt heel mooi en aanlokkelijk en heel veel mensen vond dat ook en ze vonden het zand nog mooier, dus ze namen het mee, maar als dat tot in eeuwigheid zou doorgaan dan zou het strand verdwijnen dus men besloot het strand tot verboden gebied te maken. En als je er met een boot (gemotoriseerde boten mogen niet) in de buurt zou komen kom je ook bedrogen uit: er ligt een lijn in het water, tot hier en niet verder. Voor de lijn mag je zwemmen in het blauwe water. Erg jammer dus. Misschien kun je beter even een plaatje googelen van spiaggia rosa budelli dan dat je de moeite neemt om er heen te gaan met een motorbootje die je gehuurd hebt in Palau. Om het rondje eilanden af te maken: Razzoli, Santa Maria en Santo Stefano zijn de belangrijkste, daarnaast zijn er soms nog rotsen die men ook als eiland telt. Main eiland is dus Maddalena. Je kunt er heen varen met verschillende verdiensten die iig om het uur varen. Wij gingen met Saremar. Voor een retour met een stationwagon betaal je €40,-, maar misschien zijn andere aanbieders goedkoper en als je van besparen houdt dan is het de moeite waard om even te checken bij het hokje met verschillende aanbieders. De overtocht is 20 minuten vanuit Palau. Je ziet Santo Stefano aan je rechterzijde liggen en vaart op Maddalena dorp af. Wat een genot, ik had nooit verwacht om zoveel winkeltjes aan te treffen. Het is veel sieraden, ijs, toeristenspul wat je er ziet maar het is groter dan Palau en er is een kerk met veel snuisterijen waaronder een plastic baby met een “apart” gewaad en heerlijke kitchkleuren op de achtergrond. De sfeer is aangenaam in de straatjes en er is een verscheidenheid aan terrasjes waar je terecht kunt. En heb je de tijd, kies er dan voor om een verdieping of twee hoger achter de winkelstraat rond te dolen, je ziet er prachtige kleuren en de doorkijkjes zijn allemaal reisgidswaardig. De auto parkeren is ook geen probleem, voor een euro per uur kun je het ding kwijt aan de haven, en het terrein is bewaakt. Nog beter is het om te weten dat er naast het haven parkeerterrein een gratis terrein is, er is daar geen bewaking (handig voor Hollanders). We besloten een rondrit te maken over het eiland, er ligt een weg van zo’n 20km lang. In totaal. Je komt op verschillende kruispunten en ziet steeds dezelfde namen. Als je van compact en klein houdt, dan is dit eiland net wat voor jou, vind je dit minder fijn dan pak je een fiets of huur je een quad want dan lijkt het eiland wat groter. Er zij hele mooie stranden, met zand zo wit dat je zelfs in het water je schaduw duidelijk ziet wanneer de zon zn stralen op de aarde neerlaat. Baia Trinita is zo’n strandje. Iedereen die hier langsrijdt, kan het bijna niet weerstaan om hier even te gaan zwemmen. Het water is echt kristalhelder, en je proeft bijna geen zout op je lippen. Laat je opdrogen op het zand tussen . de zachte ronde stenen en reis daarna verder over het eiland, op zoek naar het volgende strandje.

La Maddalena / Sardegna La Maddalena / Sardegna

Cala Lunga is ook zo’n verborgen plek, slechts aangegeven door wat letters op een steen. En zo ben je weer in Maddalena Dorp, langs de militaire gebouwen en ditto woonblokken rijdt je richting Caprera. Dit eiland staat bekend om Garibaldi, hij kocht een groot gedeelte van het eiland op nadat zijn vrouw Anna gestorven was en vestigde zich permanent op Caprera en stierf daar ook. We reden eerst naar het zuiden van het eiland en kwamen hele mooie stranden tegen waar wat mensen aan of in het water stonden. De weg er naar toe is er onverhard en de afgrond steil en abrupt, er zijn geen hekken, geen paaltjes of geen markering, er zijn slechts steentjes en zand, en het is passen en meten als er twee auto’s elkaar moeten passeren. Dat betekent dus stilstaan en afspreken wanneer je beide gas geeft. Vai vai! We kwamen uit bij een verlaten soort van fabriekenzone. Overal liepen krabbetjes op de stenen, en er lagen oude rails, we zijn er nog niet achter wat hier heeft gestaan. Op weg naar het noorden kom je als je niet de goede weg neemt bij het huis van Garibaldi aan. De trekpleister. Van ons hoefde dit niet zo nodig, en toen we zagen dat het barretje en het infocentre ook nog riposo hadden gingen we maar weer weg. We hadden het eilandje wel gezien. Veel bos (pineta), en mooie verlaten plekjes, veel zeilers op het water. Sowiso schijnt het hier super te zijn om te zeilen. Je kunt een boot met kapitein huren en tussen de eilanden varen, het is geen cheap score uiteraard, maar het schijnt een onvergetelijke ervaring te zijn. Vanuit Palau vertrekken er genoeg boten. En als je niet kunt zeilen, dan kun jeook nog een gonnomi huren, een rubberboot, en zelf cruisen, maar vergeet niet: je betaalt naast de huur ook de benzine! De laatste boot vertrekt om 19:00 vanuit Maddalena (het is september) en dan ben je om half acht weer in Palau. Een dag kun je dus zo vullen met een bezoek aan deze twee eilanden. En mocht je willen, dan kun je uiteraard terecht in hotels, b&b’s of op de camping. Bij terugkomst op de camping aten we in het restaurant, er zat knoflook door de harde spaghetti, bummer. En omdat de wind weg is, kun je ‘s avonds nog lang buiten omhangen. Het leuke van de camping in vergelijking tot vorige keer is dat het nu drukker is, en er is veel windsurf en kite volk. Ook zagen we vandaar weer schildpadden (tortuga’s) op de camping. Een grote met een mini schildpadje er achteraan. Zo leuk, en er zijn zelfs gele zeepaardjes hier in het water!

Arcipelago di La Maddalena

Arcipelago di La MaddalenaArcipelago di La Maddalena

Caprera, Arcipelago di La Maddalena

Caprera, Arcipelago di La MaddalenaCaprera, Arcipelago di La MaddalenaCaprera, Arcipelago di La Maddalena

Punta Sardegna

Een rustige dag op de camping. Het surfen heeft z’n tol geeist, mijn voet doet pijn. ‘S Avonds zijn we naar Punta Sardgena geweest. Dit punt ligt dichter bij La Maddalena dan dat hij bij Palau ligt. Erover verspreidt liggen luxuese vakantiewoningen soms voorzien van een zwembad. Helaas, maar gelukkig voor de bewoners, zijn de zwembaden aan het oog onttrokken. Gelukkig is Googlemaps je vriend en zie je van boven de talloze zwembaden. We waren niet zonder doel bij de punt. Stiekum had ik de Geocache app aangedaan voordat we zouden gaan eten in Palau, en nadat scheen dat er een supermooi uitzicht aan deze cachespot was verbonden besloten we om er heen te gaan. In de omschrijving stond dat er recentelijk nog leuningen waren aangebracht op dit hoge punt. Dat was ook wel nodig want de traptreden logen er niet om. Voor een persoon die denkt dat hij hoogtevrees heeft: die leuningen zijn je redding, dus je kunt wel naar boven.) De cache lag op een gemakkelijk plekje, en het uitzicht was super. De eerste Sardo cache was binnen. En dit smaakt naar meer. Na zonsondergang samen met een fietsende muggle te hebben doorgebracht op het punt, gingen we naar dezelfde pizzeria als anders en genoten nog even van het bruisende stadje.

                                                                                                 Sardegna

Onderweg naar onbekend

Woensdag we besloten om weg te gaan van Porto Pollo naar bestemming onbekend. Eerst rijd ik maar heb meteen al last van mijn voet dus na Olbia houdt Rudie een take over.Het doel was om in ieder geval richting Siniscola of Nuoro te rijden. Een b&b in de laatstgenoemde stad, of op camping Selema in Santa Lucia. De route vanaf Olbia langs de kust hadden we vorig jaar ook al gemaakt, en hier vonden we enkele chille stranden. Helaas bleek dit jaar dat er echt geen leuke campings zijn. In San Teodoro waar echt een prachtig strand is, La Cinta en Cala d’Ambra, is het één groot toeristendorp. Mensen zitten er waarschijnlijk in een appartementje en komen niet zo ver buiten het dorp als ze geen vervoermiddel hebben. We trokken verder naar Budoni, hier zijn megachille stranden gelegen aan de pineta, het zand is er uberwit, reken maar uit wat dat voor het water betekent, maar wederom was de camping “merkwaardig”, helemaal achterin was een soort dumpplek voor vw-busjes. Tenten hebben we er niet gezien. Opeens besloten we dat we beter naar Monte Nai konden rijden. Misschien een naief idee, maar waarom ook niet. Monte Nai is een soort van vakantiedorp (het is net iets minder erg dan San Teodoro 😀 )aan de Costa Rei. De koningskust, over het water en het zand hoef ik niets te vertellen, dat kun je onderhand wel gokken. Verschil met de voorgaande stranden is het feit dat er heuvels aan het strand gekoppeld zijn, wat zorgt voor een Hawaiï achtige sfeer, en helemaal als de zon ondergaat is het licht er schitterend. In de schaduw zitten is geen straf in deze omgeving, want het is er erg warm. Dit zou dan de vijfde keer zijn dat we naar Monte Nai zouden gaan. Wilden we dat wel? Ja! Om je een beeld te geven hoe veel tijd er in gaat zitten om van het noorden naar het zuiden te reizen volgt hier een bescheiden reisschema:

-14:27 De snelweg SS125 op bij Posada.

-14.31 De reis begint helaas met keiharde regen, achteraf was de regen over heel het oosten aan het vallen. We besluiten om via de S390 te reizen en de Gennargentu dit x links van ons te laten liggen. Te winnen reistijd: een half uurtje. Je rijdt wel in bergachtig en dor gebied, (vinden wij mooi) en er lopen los zwijntjes en varkens langs de weg.

-15.37 Aangekomen bij Villanova Strisaili. De weg is tot nu toe supernetjes en snel te rijden. Denk wel erom dat je bij de eerste brug echt 50 rijdt want je auto krijgt een echt optater. Na Villanova krijg je een prachtig slingerend stukje door dennen en ander bosachtige bomen. Je bent denk je al aan het dalen. Zo kom je al slingerend aan in Lanusei. In Lanusei zijn we er even uit geweest, want je hebt hier een scenic view die je niet mag missen. Je kijkt uit over de vallei en de zee richting het oosten, een jongen die in een van de vele supermarktjes langs de doorgaande weg werkt vertelde me vorig jaar dat hij hier nooit weggaat omdat er niets maar dan ook niets in de buurt is, hij voelde zich opgesloten, maar had geen keuze, hij had in ieder geval werk. We zijn dit x via Loceri met vier leuke haarspeldbochten naar beneden afgedaald. Daar uit het niets doemt ineens de nieuwe snelweg richting Cagliairi op.

-16:36 Afslag Cardedu.  Nog een uurtje rijden gok ik. We waren vergeten dat er een stuk gewone weg tussen de snelweg zit. Dat stuk rijdt niet zo hele snel en er lijkt geen einde aan te komen. Niet snel is ongeveer 60km per uur.

– 17:27 afslag Olia Speciosa, nog maar een klein stukje tot de Costa Rei.

– 17:34 we zijn in Monte Nai.

Drie uurtjes en zeven minuten later zijn we in het zuiden des eilands. Het is maar net of je van autorijden houdt of niet. We hebben er geen problemen mee, vinden het leuk, zijn het gewend, en zijn niet snel moe. Vind je autorijden niet chill, dan kun je deze rit misschien beter in stukjes hakken. Maar herinner je wel dat er na Nuoro vrijwel geen dorpen (en zeker geen campings) cq afslagen zijn waar je kunt overnachten of tanken. Dus zorg voor een volle tank, en check waar je wilt overnachten en ga niet op de bonnefooi tenzij je een busje of camper hebt. Heb je helemaal de tijd en is autorijden of motorrijden je hobby ga dan voor de megatoffe rit over de SS125 door de Gennargentu. Je komt dan in zulke mooie dorpjes (ook op een hand te tellen) en door zulke aparte stukken natuur. Koeien lopen over de weg, en oude vrouwtjes dragen nog hoofddoeken. Ben je een beetje een panische rijder, dan kun je helemaal omrijden via de snelweg via het westen naar Cagliari en dan weer een stukje naar het noorden. Je rijdt dan iets relaxter misschien dan over de kleine weggetjes, alleen het kost meer tijd en het is kilometers om.

Lanusei

Costa Rei

Donderdag wederom een luierdag. Eerst moesten we wachten tot ons nieuwe plek met uitzicht op zee, vrijkwam, de mensen die er zaten hadden geen haast en waren pas om 13:00 weg. Tot die tijd hebben we gelezen en wat omgehangen. Daarna snel de tent neergezet en pranzo (lunch) gedaan. Ondertussen begon de wind wat aan te nemen. Een Scirocco, want het was een zuidelijk erg hete en droge wind. Zalig. Warmte langs je handen en toch niet een druppel zweten, een heel verschil met het noorden waar de Mistral woei. Natuurlijk hingen we om op het strand, er waren enkele windsurfers en drie kiters. Ik wilde nog bodyboarden maar de golven waren veel te klein. We hadden dus besloten om vaker zelf te koken, en deze avond kreg het predikaat “2e x koken”. Het was een voedzaam maal, pasta met courgette, champignons en paprika. Er is hier geen enkele vegetarische, laat staan N O R M A L E tomatensaus te vinden in het lokale winkeltje. Normaal is dat wel anders. Dus het werd weer ketchup als saus als vanouds. Het smaakte uiteraard wel goed!

Sardegna

Sant Elmo 

We zijn rond half acht naar Sant Elmo gereden. Deze localita ligt vlakbij Monte Nai en hier doen wij meestal boodschappen in de Sigma. Nu gingen we erheen om drinken in te slaan, maar de Sigma was nog dicht om kwart voor acht. Logisch eigenlijk. Dus we aten een snel ontbijtje in de bar er naast. Het doel van de dag was om twee geocaches te doen. De eerste was bij het strand van Sant Elmo. We parkeerden de auto en hoefden maar een klein stukje te lopen over een zandpad voordat we bij de rotsen kwamen, en waar de cache ergens moest liggen. Hij was snel gevonden. Zo op de vroege ochtend is het uitzicht over de baai vol met ronde en geerodeerde rotsen schitterend. Na deze gemakkelijke cache gingen we voor het eerst een kleine hike doen.  (dit behoeft wat uitleg: in 2006 had ik een virus/ontsteking in mijn benen waardoor ik zes weken niet kon lopen, en waar ik tot 2011 flink last van had bij lopen/wandelen. Elke meter leek er wel 1 te veel,  en wandelen deed ik dus niet of met heel veel tegenzin want daarna had ik pijn. Wat ik sowiso iedere avond al had, dikke opgezette benen en niet meer goed kunnen staan. 100 meter was echt al ver. Nadat Jappie the Phenomena aka Running Jappie & Tessy me hadden weten te overtuigen van het feit om eens te gaan hardlopen, dribbelen, leken de benen soms wat minder pijn te doen. Sindsdien gaat het wandelen met kleine stukjes voor uit. Met Iris heb ik vorig jaar in London zelfs 12 kilometer in twee dagen gelopen, en de vakanties of wandelactiviteiten voor het werk (7km) gaan ook steeds beter.) Deze hike was voor mij dus een uitdaging omdat het 4km was de hoogte in en af. Als extra obstakel zat ik natuurlijk nog met het verhaal “rechtervoet”. Al met al ging het lopen heel goed. We moesten de berg op, daar stond een bouwval waar in de bovenste kamer ergens een cache lag verstopt. We kwamen een man tegen die zei dat we er niet heen mochten lopen, slechts een klein stukje. Op een gegeven moment hoorde ik schapenbellen rinkelen. Leuk een kudde schapen dacht ik, maar nee er kwamen twee honden aangerend. Ik ging er vanuit dat er kudde schapen achteraan zou komen drentelen, en daarachter een herder, of gewoon iemand die z’n twee bassethonden uitliet. Maar Rudie riep meteen “ZWERFHONDEN! Kijk uit!”. Gelukkig hadden we alle twee een stok als wapen. De eerste keer dat we op Sardinië waren, belde m’n moeder in paniek omdat er een paar dagen eerder een vrouw was doodgebeten door zwerfhonden die ze gewoon even had willen aaien. Duidelijke zaak, niet doen. Dus we bleven altijd on the lookout voor zwerfhonden. Soms zie je ze op de weg staan, met z’n tweetjes. Het valt me altijd op dat er in het noorden van het eiland meer zijn dan in het zuiden, of wij komen ze daar gewoon niet tegeN in het zuiden. Bij Valledoria was het vorig jaar iedere ochtend een waar festijn van honden langs de weg. En bij prullebakken en containers is het ook altijd feest. En ook al ben ik geen hondenliefhebber, het liefst griste ik ze allemaal mee naar een veiliger en liefdevolle plek. Wil je meer weten over zwerfhonden op Sardinië klik dan een HIER HIER HIER ZWERFHOND LINK. goed, de honden kwamen op ons af, en ik riep maar heel lief en zacht cani cani, en toen draaiden ze zich om en renden de berg op, het geluid stierf weg. Ook wij liepen verder. Lekker naief, bedenk ik me nu. Bij het huis aangekomen klommen we snel richting de bovenverdieping, ik wilde wel wat drinken, maar Rudie zei dat we niet op de trappen moesten gaan zitten, want misschien waren de honden er wel. Maar ik hoorde geen bellen. Boven aangekomen vonden we de cache al snel. Er was een soort van terras waar je op kon klimmen en waar je een super uitzicht over de omgeving hebt. Na wat foto’s te hebben gemaakt gingen we weer naar beneden. En ja hoor, daar waren de bellen weer. Ik vond het niet meer zo leuk, die dieren hielden ons gewoon in de gaten, en omdat we niet constant achterom konden kijken begon ik als een malle te wandelen. Maar het gerinkel bleef. Rudie had ter verdediging nog een grote steen gepakt. De bellen liepen constant met ons mee maar we zagen de honden niet. Ik weet niet hoe hard ik die berg ben afgewandeld, maar het was zeker een record, zelfs toen de bellen niet meer te horen waren, was ik niet te stoppen. Misschien, bedachten we ons, had de man aan het begin ons willen vertellen dat die honden daar waren en dat het niet veilig was. We kwamen uiterraad gewoon heelhuids bij de auto terug, en kregen aldaar van een local nog een uitbrander over het feit dat we de auto daar niet neer hadden mogen zetten. Ach, ons doel was bereikt. Als beloning lagen we de hele middag in de zon aan zee en kookten ‘s avonds weer een potje pasta alla arabiata. De speurtocht naar veggiestuff hebben we gestaakt, na enkele jaren Sardinië is er nog niets in de supermarkten doorgedrongen. (oh als je trouwens wel iets veggie of vegan wilt eten dan kun je wel bij Rupi’s bar bij Porto Pollo terecht! En in Villasimius hebben we ontdekt dat ze bij een supermarktje vegaworstjes hebben!)

Costa Rey

Punta Santa Caterina

Zaterdag we waren al vroeg wakker omdat we zouden gaan cachen in Monte Nai. Aangezien we beide “moe” waren besloten we om naar Villasimius te gaan voor koffie en even winkelen. In een boekenwinkel waar het meisje- van- de -winkel ons na een half uur nog niet had begroet, en intellectuele jazztunes de zaak probeerden te vullen, kocht ik Il Primo Zanichelli – vocabolario di Italiano. Een goede steun om Italiaanse woorden in het Italiaans te leren kennen, veelal voorzien van illustraties en heldere gebonden uitleg in het Italiaans dat zelfs voor een Friezin te begrijpen is.  Het plan om alleen maar te winkelen, veranderde nogmaals want op Capo Carbonara waren twee caches, te zonde om te laten liggen. Na het winkelen gingen we die caches doen. De eerste cache lag vlakbij een oud fort. Dit fort, wat tien meter hoog is, is ooit bedacht als verdedigingswerk (zoals andere torres die over het eiland te vinden zijn.) door de Spaanse Filip de 2e en Miguel de Moncada heeft het in 1578 gebouwd. Het kan zelfs zo geweest zijn dat het fort al op een ouder gebouw is gebouwd dat stamde uit de tijd tussen 1300-1400. Je kijkt vanaf hier over de haven en de baai richting Villasimius en het strand van Campulongu. Na deze cache reden we iets meer zuidwaarts. Een gemakkelijke cache bevond zich tussen wat rotsen. Vanaf hier besloten we om naar Punta Santa Caterina en daarna naar het verste punt op de kaap van Carbonara te hiken. Dit was goed te doen, mooie zandpaden en megachille uitzichten die allemaal geschikt zijn om op kalenders te worden afgedrukt. Na wat te hebben gedronken op het meest zuidoostelijke puntje van Sardinië liepen we terug en reden we naar Spiaggia die Notteri / Porto Giunco . Dit is een heel bijzonder langrekt strand met helder wit zand (sabbia). Als je naar het strand rijdt kom je eerst langs het op het eertse gezicht grauwig uitziende zoute stagno Notteri waar flamingos (fenicottero) staan te happen naar voedsel. De flamingos zijn hier niet roze, maar wat meer bruinig. Wist je wel dat flamingos hun kleur roze krijgen door de bacteriën die in hun eten zit?  Je zou dus kunnen concluderen dat de flamingos hier ietsje ongezonder is. En wist je dat flamingos op één poot in het water staan omdat ze op deze manier afkoelen, met twee poten warmt hun lichaam te veel op. Als je je auto geparkeerd hebt, vlak naast het stagno dan loop je door de duinen van Giunco naar de witte strandreep waar je hemelsblauw water en wat zeiljachten voor je ziet, en achter je het ineens witte stagno. De Italianen gaan met z’n allen zo dicht mogelijk op elkaar zitten, wat voor jou positief is omdat je verderop op de reep, zelfs op een zaterdagmiddag, bijna solo aan het water kunt zitten en heerlijk kunt zwemmen. Wat je nog moet weten van dit stukje strand is dat er vroeger veel schepen vergaan zijn door de rare rotsen die er onder het water liggen en de straffe winden die er waaien. Het maakt het geheel tot een magische plek. Na even te hebben gezwommen, geslapen en gewandeld reden we over de prachtige slingerende weg terug naar de camping waar we nog lang onder het genot van capuch & the caldo con limone en een bak patat bij de bar hebben gezeten.

Villasimius, Capo Carbonara, Sardegna Capo Carbonara, Sardegna

Monte Nai

Dit was een dag waarop we de hele dag bij het strand van de Costa Rei zijn geweest. Soms heb je nu eenmaal van die dagen. In de avond gingen we uit eten in een restaurant waar ze erg lekkere bruchetta hadden, maar waar de pizza niet eens voor een kwart werd opgegeten, en dat zegt nogal wat. Ze hadden er ook cheesecake maar die durfde ik eerlijk gezegd niet zo
goed te proberen.

De dag erna waren we al vroeg weer wakker en besloten dat we nu wel de Monte Nai konden bestijgen. Deze heuvel is ongeveer 240 meter hoog, en is goed te begaan. Op het einde zijn er allemaal grote brokken steen en daarna ben je snel bij de top waarop je met de Sardijnse vlag jezelf kunt laten vereeuwigen met een mobiel of echt fototoestel. Het uitzicht is erg gaaf, omdat je ook het hinterland van de Costa Rei kunt zien en niet alleen maar de berg waar je tegen aankijkt als je door Monte Nai zelf wandelt of rijdt. We waren ‘s middags weer bij de camping en hebben gebeachtennised, dan wordt je uiteraard sneller bruiner en het is veel chiller dan slechts met een boek of Italiaanse woordzoekers oplossend op je handdoek bij de zeekant.

Monte NaiMonte Turnu

Woensdag al voor zevenen werd ik weer wakker door een van de jankende buurkinderen. Het is hier een waar kinderparadijs. Italiaanse kids spelen met Duitse en Oostenrijkse kids, die zijn hier vooral, en de taal lijkt geen barriere te zijn. Ik vraag me weleens af, vroeger als kind speelde je gewoon, en nu is het soms al moeilijk om tegen andere mensen om te lachen of ‘s ochtends elkaar even te groeten. Hoe komt het dat we zo geworden zijn? Op deze camping is het echter altijd chill, iedereen groet elkaar ‘s ochtends en in de avond weer als je gaat slapen. Ook zijn er ieder jaar dezelfde mensen. Gezellig dus, zou een Hollander zeggen. Vandaag was iedereen ietwat verrukt, er was namelijk een zwerfhondje, en hij hield het hele straatje van de panoramic view in z’n greep. Overal snuffelde het hondje aan badlakens,stoelen, campers, het leek wel of hy ingeprogrammeerd was om z’n voedsel op de camping te zoeken. Maar niemand miste het hondje. Ik had in m’n hoofd al besloten dat hij meeging naar Fryslân. Helaas was net hondje snel weg. Na wat te hebben gelezen (Tania Aebi – Solo – meisje van 18 die in de jaren 80 alleen de wereld rond zeilde) en bakjes met Danoontje als ontbijt te hebben genuttigd rijden we naar Monte Turnu. Gisteren is er een cache van maintainance voorzien door een vader van een cachelegger, dus die gaan we meteen loggen. Daarvoor moeten we dus de Monte Turnu bestijgen waar heel veel losse steentjes en zand ligt, en veel doornen zijn. Het uitzicht is echt erg fraai, je kijkt zuidwaarts op een prachtig verscholen baai uit, waar het water weer kraak helder is. Op de berg kun je naar het noorden kijken en ontdekten we strandjes die we tot dan toe nog niet hadden gezien. De afdaling was wat minder door de losse steentjes, ik kan er maar slecht aan wennen dat je diep richting de zee kijkt en er daartussen alleen maar wat bosjes staan. Heeldhuids kwamen we beneden terug aan. Er is een leuke loungebar waar we wat hebben gedronken, en dit zeker nog een keer gaan doen op een avond. Daarna zijn we doorgereden naar Castiadas, wat we altijd een vage plek vonden. In de muur naast het regiogebouw van de carabinieri ligt een cache verstopt. Ze hadden net een auto aangehouden waar vanalles uit werd gehaald en waar twee caracars omheen stonden. We konden de cache gelukkig snel vinden ondanks dat deze caramuggles ons dicht op de huid zaten. Nadien wilden we nog even naar het museum omdat er vroeger een gevangenis cq veenhuizenachtige kolonie had gezeten, maar de deuren gingen net op slot voor riposo/middagdutje. We besloten om dan maar via de Monte Minimini naar Solanas te rijden, maar we kwamen als snel op onverharde weg. Omdat dit nog zestien kilometer was durfden het risico niet goed te nemen met de nieuwe auto. Dus we gingen weer richting zee, en hebben ons daar de hele middag vermaakt met het bodyboard. Helaas was deze niet zo goed als de bodyboards die we voorheen hadden (die waren profi), maar die nu in bezit van Stan. De golven leken iets hoger dan anders, maar het board tilde ons er overheen in plaats van je te laten rollen. Om een uur of vijf gingen we uit het water en begon het te druppelen. Snel naar het barretje en daar teren op thee, cappu en warme chocolade Italo style en daarna een pizza is geen straf!

Santa Giustia

De dag begon bewolkt en druilerig en in de nacht waren er al wat druppels regen op de tent gevallen. Het idee dat het op Sardinië kan regenen vind ik vervelend, maar helaas komt het de laatste twee jaar steeds vaker voor in de septembermaand. In 2012 regende het zelfs zo veel en lang dat we via Corsica gevlucht zijn naar de Costa Brava. Maar naast dat het regent is er ook meer wind en dat is voor ons uiteraard wel gunstiger. Vandaag bleef de wind weg, maar druppelde het af en toe. Daarom besloten we naar Muravera te gaan, zien of daar naast de lange winkelstraat nog wat educatiefs of historisch te halen viel. Naast de enkele grappige muurschilderingen en een kerkje viel er niet veel te zien. We aten wat dolci en een stuk pizza bij de locale bakker vandaan en dronken nog wat bij cafe Paderi, onder een oude olijfboom tegen de zon die er niet was. We besloten om via de kust en onverharde weg weer naar Monte Nai te rijden. Bij Torre Salinas stopten we om even bij de zee te kijken. De golven waren groot, en het zout hing als een muurtje boven het zand. Zo snel mogelijk reden we naar de camping want uiteraard wilden we bodyboarden. De golven en stroming waren krachtig, en niet voor niets stond de rode vlag uit. Het bodyboard knakte al snel in twee stukken, en we konden op de swell nog niet echt meekomen, de golven braken heel erg snel. Heerlijk om zovaak met je hoofd in de wasmachine te komen en alle tinten blauw en groen die er zijn naast het wit te kunnen zien. Nadien gingen we een stuk over het strand wandelen en de salvateggio blies vaak op zijn waarschuwingsfluitje, mensen gingen te ver of dreven te snel af. De golven namen alleen maar toe in grootte en ik ging nog een keer het water in. Als avondmaal aten we een bak patat. Het bleef de hele avond zoutig in de lucht. En het werd maar niet kouder, 28 graden zei de auto. Naast het zout was het ook nog eens vochtig, en soms binnen een half uur sloeg die vochtige lucht om in droge lucht. Met de zee op zo’n dertig meter afstand, de golven batsend tegen het zand val je, ondanks de warmte, snel in slaap.

                                                                                           Torre Salinas

Storm & hoogwater

Om vier uur snachts stond er een visser met twee hengels voorzien van groene lichtjes voor op het strand te vissen. Waarom zo vroeg? En wat vang hij? De enige visjes die ik doorgaans zie (heb ontdekt) zijn van die snotterpostjes EN een vis met een zaagneus (vorig jaar). De laatstgenoemde daarvan schrok ik me echt wild. Ik was voor het eerst alleen in het diepere deel van de zee aan het zwemmen met een duikbril op, toen er ineens dit vissensoort heel rustig op me af zwom. In paniek riep ik eerst “Help my, help my, dr swimt hjir in fisk mei in seach!” Ik keerde me om, keek naar het strand, maar niemand reageerde. Rudie gaf geen kik, niemand keek, en niemand verstond waarschijnlijk Frysk, dus ik begon weer te roepen “hjir is in fisk mei in seach!!” En bedacht me toen dat hij in die tijd dat ik daar om schreeuwde al naar me toen had kunnen zwemmen, en borstcrawlde naar de waterkant. De dagen erna ben ik niet meer in zover het water in geweest. Was dit in bv 2005 gebeurd dan was ik de hele vakantie en die er na niet de zee in gegaan om te zwemmen. Soms moet je doorzetten, die kleine visjes die doen niets, soms zijn ze zo lame en moe van de zon die heel de dag op ze loopt te shinen, dat je op ze kunt gaan staan. Maar die visser verontruste me wat. De zee, zo wild, alles heen en weer en op en neer, die grotere vissen moeten door de swell meegenomen kunnen worden naar de waterkant, zodat die visser ze beter kan vangen. En dat zal vast niet alleen in de nacht het geval zijn. Ook overdag worden die grote vissen heen en weer gesmeten in hun onderwaterwereld. Ik besloot om er niet te lang bij stil te staan. Je kunt je angsten ook groter maken dan dat ze eigenlijk zijn, en je hebt alleen jezelf er mee te pakken. Dus ‘s ochtends vroeg lag ik alweer in de golven, die nog hoger waren dan de vorige dag. Met veel pijn aan mijn voet weliswaar, en voordat we de zee ingingen haakte ik met m’n voet keihard achter een tentharing, resultaat bloed en een open wond en nog meer pijn. Tijdens het zwemmen kon die voet mooi koelen en de wond mooi schoon worden. Later liepen we  naar de rots Scoglio di Peppino waar oude vrouwtjes met fraai gekleurde badpakken in hetzelfde kleurschema als die van de zee, probeerden de rots te bedwingen en in allerlei posities in het water lagen en zaten te poseren. Jongere jongens gingen precies op het punt staan waar de golven de rots het hardst troffen, ze bleven nog net staan, maar dropen snel af na een golfslag over zich heen te hebben gehad. Er kwam mist van zee opzetten en alles voelde klef aan. We maakten wat pasta als lunch en gingen daarna weer in zee. De stroming was nog feller dan op de ochtend, en de golven nog hoger en agressiever: dit had ik nog niet zo extreem meegemaakt, en wilde de zee niet uit, zo leuk was het. Maar het tegen de stroming inzwemmen maakt je moe, dus toch maar naar de kant toe. M’n voet is nu weer blauw en rood, door al het gespring en de belasting, dus ook mede hierom maar even rustig aan. We besloten om nog wat te gaan drinken bij een klein strandje waar waarschijnlijk ook wel veel swell zou zijn. Er lagen al wat golfsurfers in het baaitje, en af en toe pakten ze een golfje. Om zeven uur gingen we naar Da Donato in Monte Nai om pizza te eten. In gezelfschap van twee grote televisieschermen, de boss himself, vier oudere mensen uit Freiburg, en een gezin van vier zaten we op –  een voor Italiaanse begrippen – ” vrij donker” terras. Geen lichtbakken behalve de tv’s. Zou er daarom niemand hebben gezeten, na anderhalf uur was de toko nog leeg. En dat terwijl ze een tripsdvisor logo hebben.

Capo Ferrato

Villasimius

Omdat we op het weerbericht zagen dat het meer en meer bewolkt wordt de komende dagen, maar er wel hoge temperaturen zijn (37,34 gr) besluiten we om als die zon er is op het strand te vertoeven en ons rust te pakken. Wordt het echt bewolkt dan kunnen we altijd nog gaan cachen. Ook hebben we er niet meer zoveel trek in om zelf te koken, en de Campingaz raakt ook al langzaam op, een goed excuus dus om ons zelfgekozen beknibbelaarij op te geven en wat meer te gaan genieten. Op de avond gaan we via een binnenweg naar Villasimius en nemen een aperitief bij ons favo bar en eten we pasta en pizza bij Cri Cri. Voor ijs is geen plaats meer. Bij thuiskomst zitten we nog tijden buiten te lezen. In de tent is het zo warm dat je beter buiten kunt liggen totdat je de salamanders in je slaapzak voelt kruipen.

                                                        Sardegna

En de volgende dag weer de hele dag bij het strand gelegen en ‘s avonds pizza bij de camping geserveerd door Giuseppina & Francesca. Het zou weer een warme dag worden met temperaturen van rond de 37 graden en daarom bleven we op het strand met een bodyboard, boeken en beachtennis. Ik geloof dat ik deze dag meer in het water dan aan het strand heb gelegen. ‘s Avonds toen we pizza aten in het restaurant op de camping deinde ik nog na. De avond was nog erg warm, en het Zwitserse overbuurjongentje mocht in de hangmat slapen. Omdat ik ‘s nachts niet kon slapen door de hitte keek ik of hij er nog in lag. En ja, daar lag hij, onder de sterren en tussen de krekels slechts een paar meter van zee.

Porto Pirastu

We besloten om naar Porto Pirastu te rijden en daar een cache te gaan doen. De cache was snel gevonden op, wederom, een heuveltop waarop vroeger een torre heeft gestaan. We kwamen de buren van de camping tegen die op zoek waren naar mooie strandjes, maar tot de conclusie kwamen dat het eigen strand toch het mooiste was. Het verbaast mij ook nog steeds dat Italianen vaak omhangen op rotsen/stenen en dat strand noemen en daar middagen omhangen. Ik kan dat absoluut niet. De buren vertelden ook om geen zin te hebben om op een steen te moeten zitten terwijl je ook op een wit strand liggen. Na een praatje gingen we verder via het strand richting Capo Ferrato zelf, maar aangezien rond het middag uur was en het echt superheet was zijn we niet helemaal de kaap op gegaan, want het werd steil en er was geen beschutting en we gutsten van het zweer. We besloten om naar Spiaggia di Noteri te rijden om bij het strand aldaar te gaan chillen. We gingen langs de toeristische drie km langere weg langs de zee en kwamen heel toevallig een cache tegen op het parkeerplek wat tevens de grens is tussen Villasimius & Castiadas. Ook waren hier nu zwerfhonden. Kennelijk zijn de mensen heel erg begaan met de hondjes want er staat water in overvloed en men komt er blikjes en zakken hondenvoer brengen. De honden zijn niet schuw en laten zich aaien en knuffelen. Er was een jongevrouw die in tranen uitbrak om de hondjes en ze maar bleef knuffelen en aaien. Na een kwartier bij die honden om te hebben gespaand gingen we door naar ons doel. Het stand was superleeg. Ik telde de parasols en kwam zover ik kon kijken op eenentwintig stuks uit, doe dat keer twee en je hebt nog geen 45 mensen (de bars en ligstoelen niet meegerekend uiteraard) op de smalle strook strand. In het water waren nog minder mensen, en ook na vier uur bleef het rustig. Om zeven uur verdween de zon en gingen we naar Aquarius in Villasimius waar ze heerlijk krokante pizza’s maken, die je kunt eten in een soort van tuin terras. Ben je hier in de buurt dan is een bezoek aan deze pizzeria het meer dan waard. Nadien namen we ijs en reden er terug naar Monte Nai, lazen nog wat en gingen wederom een warme nacht in waarbij alleen de binnentent al genoeg was geweest als omhulsel voor de nacht.

                                                                    Capo Ferrato

Ballao

‘s Ochtends rustig op gang komen met broodjes & koffie + chocolademelk in de bar. De Giuseppina zit net op zeilles die ze tijdens de risposo één x in de week krijgt, en toen ik haar vroeg of ze weleens had geprobeerd te windsurfen gaf ze aan dat ze bang was voor de zee. Tijdens de dagen van de hoge golven zag je haar ook niet in het water. Ik had het boek van Tania Aebi – Solo of in het Amerikaans Maiden Voyage – net gelezen. Ze was mid jaren tachtig 18 jaar en zeilde alléén in haar boot de Varuna de wereld rond, als je leest wat een voor een sicke stormen zij heeft meegemaakt dan hoeven wij echt niet meer bang te zijn op de Friese Meren. Een soort van mini hart onder de riem dus. We gaven de tip van Tania aan Giuseppina, zodat ook zij niet meer bang hoeft te zijn op het water. Daarna beslisten we om wat flessen water, TUC en drop te kopen en een roadtrip naar Ballao te maken. In een van de vele reisgidsjes die we over Sardinië hebben stond dat de rit vanaf Cagliari naar Ballao één van de mooiste ritten is door het onherbergzame Gerreigebergte en langs de oevers van de Flumendosa rivier en je moet er twee dagen voor uit trekken. Ballao is ongeveer zestig km vanaf Monte Nai en dat zouden we dan als uitgangspunt houden en eventueel konden we via een klein weggetje een rondje terug naar San Vito maken.  Vanaf Muravera konden we het met eigen ogen aanschouwen hoe mooi het dal naast de Flumendosa was. Via de SS387 reden we langs de groene en welbegroeide bedding van de rivier. Overal langs de weg waren oleanders in wit en roze. Eerst kwamen we door San Vito, een lief dorpje waar nog heel wat winkels waren. Precies ons stijl, met huizen in licht olijfgroen en oudroze, en overal oudere mannen langs de kant van de weg. Ik zwaaide naar iedereen, en iedereen zwaaide terug. De weg tot Ballao is erg ruim en rijdt snel.

                                                            Flumendosa valley

Argmungia

Binnen no time waren we bij de afslaf Armungia en slingerden we de vijf kilometer lange bergweg naar het dorp toe op. Wederom een rustig dorpje met de mannen langs de kant, de barretjes zaten hier zo dicht op de weg dat ze over de railing hingen met hun ruggen en haast dr nauwe weg versperden. Van Armungia, waar je een mooi zicht over het dal hebt, reden we naar Ballao, een dorp wat ons totaal niet aansprak en waar we snel weer weg waren. Omdat het tripje echt minder dan drie kwartier kostte besloten we de weg naar Cagliari te vervolgen. Het werd groener en groener, een beeld wat mij in Sardinië nogal vreemd aandoet in september. Het leek wel of was je even op Corsica. Als snel kwamen we aan in San Nicolò di Gerrei (of Pauli di Gerrei in het Sardo) en hier dronken we wat in het barretje. De eigenaar had een super de luxe Mercedes. We vroegen ons af, zou hij alleen maar werken, werken, werken en al zijn geld in die auto gepompt hebben? Op een gegeven moment ging hij ” even weg” een oudere mevrouw kwam even de wacht houden en na rien minuten was de baas weer terug, de vrouw zei ciao en weg was ze. Soms vraag ik me af waar zo’n bar van bestaat. Er waren er meerdere in het dorp en hier was verder geen kip. Het hele dorp was trouwens weer uitgestorven, maar dat terzijde. Vanuit Pauli reden we richting Sant’ Andrea Frius. En opeens doemde er een mega schotel op. Zomaar in het dorre landschap, we wilden er heen en zouden net  een u-turn maken toen we een bordje zagen met een panoramic view erop, het weggetje er naar toe was semi onverhard en lag onder de stront van een of ander dier. Opeens reden we op een stukje “park” van grind af. Bankjes van grind en in het midden een olijfboom. Ik was net dit lugubere plek aan het filmen en draaide de telefoon naar rechts en ineens stonden er grote en kleine paarden in een of andere alkoof op elkaar gerdrukt. Ook beneden in het dal renden drie paarden om. Omdat we dachten dat ze in de stikhete zon niets te drinken hadden maakte Rudie een drinkbakje voor ze en ik gaf mijn appel aan de drie losrennendd paarden, ze aten het meteen op. De andere groep bleef maar wat hangen in de alkoof. Op de achtergrond werd de lucht donker en begon het te bliksemen en te bulderen een paar kilometer verderop. De sateliet bromde als een gek en zag er futuristisch uit in het landschap. Toen we de auto instapten zag Rudie een grote drinkbak staan in het dal. De paarden renden nog wat en we vertrokken weer, het begon langzaam te druppelen. In Sant’ Andrea Frius gutste het water uit de regenpijpen, en we reden dus snel door naar Dolianova.

Armungia, SardegnaArmungia, SardegnaArmungia, Sardegna

Dolianova

Hier moest een kerkje zijn die verschillende bouwstijlen had, en als een van de mooiste Romaanse kerkjes van Zuid – Sardinie gold. Het godsganse Dolianova zijn we doorgereden, het leek Utrecht wel, alles was eenrichting verkeer en we kwamen constant bij dezelfde straatjes uit. Van mij hoefden we niet naar die kerk, maar Rudie scheen het zo speciaal te vinden dat we er heen moesten. Na wel een drie kwartier door die stad te hebben gereden meende ik een kerkje te zien. Nee, wij hebben geen tom tom, en nee, wij doen het internet niet aan als we het niet kunnen vinden. Het kerkje bleek helaas het stadhuis dus we liepen maar weer doelloos verder door het saaie centrum, en het drupte ook nog. Na een tijdje vonden we dan toch een bord met Pantoleone erop en konden we het kerkje aanschouwen. Ik moet zeggen dat het toch wel een cool gebouw was, een mix van stijlen en binnen zo donker dat je ogen even moesten wennen, toen zag je het licht en het houten plafond en een heel oud paneel met schilderingen over Dolia (de man was een heilige die mensen kon “genezen”, wat men daar in die tijd dan ook onder mocht verstaan.) Na wat foto’s te hebben gemaakt gingen we richting Cagliari. We hoefden niet perse naar de stad, want zo gek zijn we er niet van.

Dolianova, SardegnaDolianova, Sardegna

DdA Factory, Quartu San Elena

Ik zag dat het vier uur was, en we waren in Monserrato dit ligt tegen de hoofdstad van het eiland aan. Een foto die ik gemaakt had in St Malo (Frankrijk) is dit jaar geexposeerd geweest in Dda Factory, een foto galerie voor contemporary art in Quartu San Elena, een soort van doorloop stad van Cagliari. Aangezien we zo dichtbij waren konden we nu ook wel naar de galerie toe om er een kijkje te nemen. Zo zou ik de plaat misschien zelfs wel mee naar huis kunnen krijgen. Van mijzelf hoefde het niet per se, maar na aandringen van Rudie gingen we er toch heen. Een man in een kantoor met allemaal spullen in boxen stond ons te woord, de galerie was nog dicht, maar hij belde even met iemand. Diegene kon hij niet te pakken krijgen, maar om vijf uur waren we van harte welkom. We dronken koffie in een barretje waar de tijd nogal stil had gestaan. Nineties style, en op de glazen toonbank een enorme kitschy herdershond en wanden vol met drankflessen. Een lieve barista maakte heerlijke thee en cappu. Om vijf uur reden we weer naar Via Perdabona en stond er al een jongen klaar om ons te ontvangen, Antonio. Helemaal verrast en blij dat ik ik was en dat we hier waren gekomen. Na twee en half uur praten over kunst en over wie we waren bleek het dat we heel veel overeenkomsten  hadden. (denkwijze / hardcore / maatschappij / sardinie / europa ) met de foto, die nog best groot was afgedrukt, en een stevige handdruk namen we afscheid van elkaar. Wat een goede beslissing dat we toch nog zijn gegaan, dit was weer even een kleine verrijking. Via spiaggia Poetto reden we met de ondergaande zon in de rug naar de camping, aten daar een pizza. Die reisgids met hun twee dagen durende tocht, ik snap nog niet waar ze dat vandaan halen, misschien zijn wij snelle reizigers of bekijken we de dingen niet zo intens als de doorsnee mens, maar twee dagen dat past gemakkelijk in 9 uren, inclusief hangtijd. Toen we bij de tent aankwamen was alles wonder boven wonder nog droog, de buurvrouw uit Texel vertelde dat het straatje achter ons helemaal blank had gestaan en dat mensen kuiltjes hadden gegraven. We konden dus met een gerust hart slapen, wat ook beter lukte omdat het heerlijk was afgekoeld.

Quartu Sant'Elena Quartu Sant'Elena

Weer naar huis

De laatste stranddag brak aan. We keken eerst even bij Cala Sinzias en daarna bij Cala Pira. Ongerepte strandjes, maar we wilden liever naar Monte Turnu. Daar hebben we heerlijk gezwommen, gegeten, gelegen en gelezen todat er vanaf de bergen zulke donkere wolken aankwamen dat we besloten om weg te gaan, we hadden de tent ook niet dichtgedaan dus terruggaan was wel handig. Op de camping hebben we gegeten en alle spullen ingepakt. De volgende dag gingen we terug via Jerzu, Osini & Mamoiada richting Olbia waar we ‘s avonds op de traghetti naar het vaste land vaarden.

                                                                                   Iki Beach Bar

Sud France – Mei 2014

 

Begin Juni vertrokken we voor een paar dagen naar het Zuiden van Frankrijk. Dit zou de derde reis worden binnen Frankrijk dit jaar. Ongepland waarheen precies (het zuiden ergens in Languedoc-Roussillon), met slechts een tent, wat kleding, luchtbedjes, slaapzak, badlakens en wat toiletartikelen gingen we op weg. Jammergenoeg hadden we geen informatieboekjes over de Languedoc mee en moesten we dus maar gokken waar we heen gingen. Op een zondag vertrokken we en we reden naar onbekende bestemming. Bij het oranje worden van de zon, reden we op de brug van Milau. En zagen we niet veel later een bordje staan met Lac du Salagou aangegeven. We besloten om hier maar te gaan slapen op een camping. Om het meer heen is rode aarde. Helaas had het steeds veel geregend en was het water overal heen gekropen. Weggetjes waren overstroomd, en we durfden niet het risico te nemen om in de auto te slapen aan de rand van het meer, stel je voor dat we de volgende dag niet meer weg konden komen door de blubber. De temperatuur was aangenaam. Liepen we de dag ervoor nog in een longsleeve en jas, hier was een hemd genoeg. Op zoek naar een camping was een werkje. Overal stonden campings aan het meer aangegeven, maar de helft van de campings was dicht of helemaal verlaten aka opgedoekt. In het plekje Le Mas de Carles was een camping die open was, we waren de enigste bezoekers. Dat was nogal luguber. In het plaatsje Octon aten we in de locale pizzeria/bar/restaurant La Place een pizza en liepen een rondje door het verlaten dorpje. We besloten omdat het al donker was in de auto te slapen en ‘s ochtends rond zeven uur te vertrekken richting de Middellandse Zee kust. We hadden de dochter van de eigenaresse gevraagd waar we heen konden gaan, wat interessant was in de omgeving. Ze raadde Pezenas aan, een historisch stadje (Secteur sauvegardé) met veel oude gebouwen. Moliére heeft hier gewoond en gewerkt, en dit scheen je overal terug te kunnen zien.

Octon, Langedoc - Roussillon      Octon, Langedoc - Roussillon      Octon, Langedoc - Roussillon

Pezenas

Voor acht uur reden we Pezenas in. Het was er erg rustig. Cafe’s waren nog niet eens open. Nooit bedacht dat die veel later open gaan dan in Italie, waar het geen uitzondering is om rond kwart over zeven al een espresso achterover te gooien aan de bar. We konden dus nog niets eten of drinken en moesten teren op de fles limo die nog in de auto lag. Wel kregen we een heel mooi beeld van een dorp dat langzaam wakker wordt. Kijk maar naar de video.

Pézenas,Languedoc-Roussillon Pézenas,Languedoc-Roussillon Pézenas,Languedoc-Roussillon

Na dit dorp te hebben bezocht, en nog steeds geen informatie te hebben gevonden over de Languedoc – alles was dicht – besloten we richting Béziers te rijden. Vanaf daar hadden was er een wildgroei aan campings ( en lelijke vakantiedorpen) waar we een keuze uit konden maken. Rudie was als kind eerder in deze regio geweest en herinnerde zich ineens Agde. Dus reden we naar Agde en vonden snel een chille camping in Marseillan-Plage, waar slechts gepensioneerde personen vertoefden. Hun lichamen waren al bruin en het tempo lag er laag, er werd veel koffie gedronken en gegeten. De hoofden gingen dus ook wel even omhoog toen wij langsliepen. Toen we de tent hadden opgezet beseften we ons opeens dat we geen stoelen of tafels hadden. Ik voelde me een soort teenager die voor het eerst op vakantie ging. Zoveel dingen vergeten…We hadden niet eens een kabel voor stroom, geen zeep etc. Dit dwong ons om veel op het strand te liggen (dat kon prachtig in het mooie warme weer) of erop uit te gaan en de omgeving te verkennen. Dat strand was wel heel verleidelijk en we maakten er dan ook meteen gebruik van. Het zeewater was helaas nog veel te koud om te zwemmen, maar er waren enkele gasten die zich er niets van aantrokken en er in plonsden.

Sète

In Sète werd ik me bewust van het feit dat niet iedereen het zo geweldig heeft als wij. Toen we de stad inreden langs het Canal lagen en zaten er her en der wat clochards met hun honden. De auto stond in een gore parkeergarage en bij iedere uitgang zat een clochard, ze zagen er onsmakelijk uit en boezemden me wat angst in. Ondanks dat we niets van waarde bij ons droegen voelde ik me niet op m’n gemak. Misschien is het een restverschijnsel van vroeger: de zwervers in Parijs daar was ik altijd als de dood voor, helemaal als ze halfdronken tegen je aan begonnen te praten en je bij god niet zo snel wist wat je in het Frans terug moest roepen. Er was hier zelfs een zwerver bij die op een houten been liep. Ik wist niet hoe snel ik me uit de voeten moest maken om in het ‘veiligere’ centrum te belandden. Sète is ligt aan het Étang du Thau, en drie jaar geleden woonden er rond de 43.408 inwoners. Het Canal du Midi komt in deze stad uit, en ook is Séte de grootste vissershaven van Frankrijk. Dit zag je ook aan de talrijke boten die in het Canal lagen en de drukte erom heen. De huizen en gebouwen zijn statig en met hun pastelkleuren typisch Zuid – Frans. Het centrum is gezellig, er is veel schaduw, en er zijn barretjes. Ook zie je in deze stad een mix van culturen. Helaas heb ik geen foto’s van Séte, ik durfde mijn telefoon niet eens te gebruiken…

Étang du Thau

Het waaide aardig, en omdat het Étang du Thau op de route lag gingen we hier kijken. Er scheen hier een mooie kitespot te zijn. Kiters moeten over een geïmproviseerd pad lopen die leidt naar een vlakke spot “Pont Levis”. Dit Étang is het twee na grootste meer van Frankrijk. De lengte is 21 kilometer en de breedte 8km daarmee is het gelijk het grootste bassin tussen de Spaanse grens en de Rhône. Het is meer zout dan zoetwater (brak) en daarom zijn er zeebaarsen en dorades te vinden. Uiteraard zijn er ook oesters en nog 17 anders soorten schelpdieren. Met windsurfspullen kun je niet op Pont Levis komen, maar wel als je aan de kant blijft, opstappen gaat er niet zo handig want je moet door heel veel slib, algen en troep heen, het oogt niet echt lekker schoon. Reigers en flamingos vinden het hier ook leuk vertoeven.  Er waren enkele kiters aan het varen en dit leverde de volgende beelden op:

Gruissan 

De volgende dag tikte de thermometer, ondanks de bewolking, 32  graden aan. De ochtend brachten we op het strand door, en omdat het bewolkt bleef besloten we om weer een roadtrip te maken. De ideale combinatie van een dag. Gruissan (Plage) lag niet zo hele ver weg, en werd ons doel. Een keer per jaar vindt hier de Defi Wind plaats. Een windsurfwedstrijd waarbij 1000 windsurfers meedoen. Ze starten tegelijkertijd en dat zorgt voor hele spannende situaties en spectaculaire beelden. Helaas waren we net een paar dagen later want Le Defi was net afgelopen, het strand was dus weer rustig en ruim. En ondanks de bewolking was het lekker om er even te zitten. Gruissan is een klein vissersdorpje en er is niet bijster veel te beleven naast dat je een fort (of de overblijfselen ervan, de toren “Barberosse” ) kunt bezoeken en er een uitzicht hebt over het dorp en de zee. Aan zee in Gruissan staan heel veel vakantiewoningen. Aan het einde van de 18e eeuw kwamen families uit Narbonne naar Gruissan Plage om daar hun vakanties te vieren, die vakanties waren niet altijd droog of windstil en daarom bouwde men huizen om veiliger aan het strand te kunnen vertoeven. Les Chalets, ze waren kenmerkend omdat ze deels op palen waren gebouwd vanwege het hoge tij wat soms tot aan of verder dan de chalets kon reiken. Tegenwoordig hebben de meeste eigenaren de onderkant dicht gemaakt voor betere wering tegen de zee, en is er ook een dijk gebouwd tussen het strand en de huizen. En het schijnt dat ze nogal wat glans hebben verloren, zo mooi als vroeger zijn ze niet meer. Toen we er rond reden voelde het ook wat als oude glorie: veel rommel op straat, verlepte woningen, slecht onderhoud, en ondanks het al mooie weer, nog weinig tekenen van leven. In Gruissan kocht ik zeepjes en een portemonnaie met blauwe Franse lelies erop.

Gruissan, Languedoc-Roussillon

Gruissan Plage, France Gruissan, France

 

 

Narbonne

De volgende dag zouden we naar Narbonne gaan. (Wil je meer info over de geschiedenis van deze stad klik dan h i e r op)Volgens windfinder zou het gaan regenen, dus we twijfelden zelfs om de tent in te pakken en nog wat meer richting het zuiden te trekken. Maar goed, van die paar spetters zou de tent niet echt nat worden, en als er een windje opstak was het zo weer droog dus het gaf eigenlijk ook niet. In drie kwartier rijd je van Agde naar Narbonne. Daarvoor hoefden we dus ook niet naar een andere camping. De afstanden in deze regio zijn kort en alles ligt dichtbij elkaar, erg handig om te roadtrippen dus. Narbonne is niet zo hele groot, je kunt het vergelijken met Heerenveen. De topper in deze stad is de gotische St-Just-et-St-Pasteur kathedraal. Voordat we deze kathedraal bezochten doolden we rond door het centrum, dronken koffie en checkten Nederlandse toeristen uit die worstelden met het Frans spreken. Ideaal als je vaker in Frankrijk bent, en altijd Frans hebt gevolgd op school, want dat houdt de taal levendig. Onze woordenschat is flink uitgebreid en we kunnen ons aardig redden, het is ook leuk dat je met de Fransen kun converseren in hun eigen taal. De kathedraal zit vast aan het klooster, wat een werkelijk prachtige serene tuin heeft en waar je gewoon in mag rondlopen. Vanuit de kloostergangen kun je de kathedraal binnenlopen. Wat een kolos, en wat een mystiek binnenin deze reusachtige kerk. Op 3 april 1272 is de eerste steen van deze kerk gelegd (kerk is bijna een oneerbiedig woord voor deze kerk), de kloosters zijn in de 14e eeuw gebouwd. Je kunt een rondje door de kerk lopen en vanalles bewonderen. Ze waren op het moment dat wij er waren flink aan het restaureren en heel veel lichten deden het niet, waardoor de sfeer lekker grimmig werd. Er hingen ook veel rode gordijnen in de kerk, werkt ook goed voor het mysterieuze gevoel. Het hoogste punt van het schip is 41 meter. Daarmee is deze kathedraal de derde hoogste in rij van het hele land. In Amiens is het schip 42 meter en in Beauvais 48 meter hoog. Nadat we nog een prachtig muziekstuk op een soort van stilstaande accodeon/bandeon hadden gehoord, gingen we via het Palais des Archevêques weer de drukke wereld in. We lunchten stokbrood en fromage aan Canal de la Robin, wat door Narbonne stroomt. Deze stad had wel iets luchtigs, wat langzaams. De mensen hoeven er waarschijnlijk niet zo snel. En in vergelijking tot Céte zou ik hier eerder heen gaan.

Narbonne, France Narbonne, FranceNarbonne, France Narbonne, France

 

Canal du Midi

Omdat we nog zeeen van tijd over hadden besloten we om een stukje langs het Canal du Midi & de L’Aude te rijden. Canal du Midi staat op de Unesco werelderfgoederen lijst. Ik kan me nog goed herinneren dat we tijdens Frans leerden over het kanaal. Het bijzondere is dat het een aangelegd kanaal is van ruim 250 kilometer lang. Vanuit de natuurlijke rivier de Garonne “begint” het kanaal in Toulouse en het loopt helemaal door tot Séte waar het uitmondt in de Middellandse Zee. Ik denk dat wij niet het meest interessante stuk hebben gezien of misschien was het ons niet vreemd, want het deed me bij tijd en wijle gewoon denken aan de sloten in Fryslân. Mede daarom gingen we ook een stuk langs de L’Aude rijden. Dit is een natuurlijke rivier die best wel kronkelt en dus zie je slechts fragmenten van de rivier. We kwamen langs allemaal dorpjes met Aude in hun naam verwerkt maar die lagen niet eens aan de rivier. Beetje een bummer dus. En toen reden we richting een sluis waarvoor een schip met de Nederlandse vlag voer. Een echtpaar stond op het dek en we groetten elkaar. En natuurlijk maakten we even een praatje. De boot kwam oorspronkelijk uit Fryslân en ze hadden hem al lang in hun bezit, maar dit werd hun laatste trip. De man en vrouw werden ouder en voeren nu vanaf Zeeland binnendoor naar Narbonne en dan weer terug. Of wij de boot niet wilden kopen…Het was een vermakelijk gesprek, de man had ons ingeschat als mensen die een in een hotel zaten en nooit ergens kwamen en van luxe hielden. 🙂 Beetje mis. Zo vertelden we over wat ons bezighield en wat onze hobby’s zijn en hij leek er ondanks zijn pessimistische uitspraken eerder, wel open voor te staan: ” het vrije leven, dat moet je vasthouden.” Ondertussen lag de aak al een tijd in de sluis (die handmatig bediend moet worden) en toen het water zakte en de sluisdeur een nieuwe weg vrijmaakte, namen we afscheid met een groet. Wij liepen een rondje door Sallèles-d’Aude en reden daarna naar verder naar Valras om daar twee caches op te pikken.

 

Sallèles-d'Aude

 

Canal du Midi, France

Sallèles-d'Aude

 

Sallèles-d'Aude

Valras

Valras is een nieuwerwetse plek vol massa tourisme. De winkels puilen uit van de neon kleurige spullen, authentieke winkeltjes heb ik er niet gezien. Toch viel ook hier de gastvriendelijkheid op, de baas van een kledingwinkel heeft rustig een half uur met ons gekletst, z’n kinderen waren in de winkel aan het spelen en klanten waren er niet. Hij vertelde dat het seizoen nog moest beginnen, en dat hij wel een bepaald publiek aantrok omdat zijn winkel wat duurdere merken had, maar hoe het vroeger was geweest, dat kwam nooit meer terug. Ook wist hij niet zeker of zijn kinderen ooit de zaak zullen overnemen, de goedkope winkels nemen het heft in handen, en waarschijnlijk zou de familie na drie generaties de deuren moeten sluiten. De sfeer op de aangelegde kale boulevard was tam, wel dronk ik hier de lekkerste chocolade tot nu toe, in een tentje aan de kade bij de haven. Daar lag meteen ook de eerste cache die we zochten. De tweede cache werd gevonden in op de pier, en op dat moment begon het ook te druppelen, wat mooie luchten opleverde.

Plage de Valras, France

Marseillan

In Marseillan, wat aan Étang du Thau ligt, aten we ‘s avonds de lekkerste pizza bij de liefste pizzabazen van Pizza Bella. Het was dat we niet veel langer bleven anders hadden we elke avond daar gegeten. Het plaatsje zelf is heerlijk kalm, het toerisme verplaatst zich naar Marseillan Plage  waar wij dus ook op de camping stonden. Het stadsgezicht is beschermd en de meeste huizen komen uit de twaalfde eeuw en er is geen nieuwbouw te vinden in het centrum. De nieuwste huizen dateren uit de 17e eeuw, en voor Frankrijk, lijken de panden van buiten aardig netjes onderhouden, een uitzondering daargelaten.

Marseillan, France Marseillan Marseillan

Per ongeluk even in Spanje. 

De volgende dag bedachten we dat we wel naar Perpignan zouden kunnen rijden. Mijn ouders waren altijd lovend over deze stad, dus het moest er maar eens van komen. Uiteraard waren we te druk met kletsen en reden we de afslagen van Perpignan voorbij, en aangezien we geen TomTom hebben en willen gebruiken reden we dus verder opzoek naar een volgende plek om   van de snelweg af te gaan, bij Le Boulou kon je er nog af. Maar er kwam geen afslag, en zo zaten we alweer in La Jonquera, in Spanje. In dit aftandse plek waren we in 2012 ook beland om te tanken. Naast wat publieke dames was het er een kille dode bedoening. We keerden dus snel om en besloten om Perpignan dan maar niet te gaan bezoeken maar om eerst naar de bergen te gaan en daarna langs zee terug te rijden.

Céret

Céret is een klein plaatsje aan de voet van de Pyreneeën, waar Pablo Picasso twee jaren heeft gewoond. Toevallig is het ook de hoofdstad van Vallespir, een Catalaans historisch district. Alain Torrent is de burgemeester en waakt over zo’n 7600 mensen. Rijd je 180 kilometer zuidwaarts dan ben je in Barcelona. Dit kleine dorpje heeft vanaf z’n bouwjaar vijftien verschillende namen gehad. Vroeger is er ooit een plaag geweest en een dronken huisarts begroef mensen levend, natuurlijk werd deze man ontslagen. Er worden veel kersen gekweekt rond het stadje en ieder jaar is een feria rond 14 Juli wat inhoudt dat men drie dagen lang aan het stierenvechten is. Er komen zo’n 40.000 mensen op af. Met jonge stieren wordt er door de straten gerend, en men moet de stieren dan aan de staart vangen en ze zo lang mogelijk vasthouden. We hebben maar een rondje gelopen door het wat slaperige stadje en op een mooi terrasje een frisje genuttigd.

Céret,  France

Banyuls Sur Mer 

Via Le Boulou reden we naar het bijna zuidwestelijkste puntje van Frankrijk. Banyuls Sur Mer is het een na laatste plaatsje voor de Spaanse grens. Banyuls is eigenlijk een vijver, en van oorsprong was die vijver er ook alleen die is op een gegeven moment opgegaan in een beekje genaamd Vallauria. Vroeger werd er veel gesmokkeld en verder werd er geleefd van de visvangt en het produceren van wijn. Het dorpje was best wel uitgestorven en omdat de grijze golf zich had gesetteld in restaurants besloten we om een broodje te eten op het strand en daarna een gevaarlijke cache te pakken op het steile klif van Banyuls, aangezien de wind aardig doorkwam was dit best nog een moeilijk klusje.

Banyuls-sur-Mer, France

Collioure

Via Port Vendres, wat ons niet zo interessant leek, reden we naar Collioure wat ook aan de Cotê Vermeille ligt. Dit schilderachtige stadje bestond vroeger uit twee dorpjes waar een rivier doorheen liep, en had dus ook twee verschillende namen. Denk erom dat je dus ook echt beide delen van het Collioure bezoekt, wat wij dus per ongeluk niet hebben gedaan. Op een gegeven moment wam het samen, en dit stadje was erg belangrijk, het had een zeer strategische ligging. in 1642 werd het door de Fransen ingenomen en na tien jaren werd Collioure definitief Frans, althans dat dacht men toen. Het kasteel wat er staat, met z’n dikke verdedigingsmuren werd extra verstevigd door Vauban, maar toch veroverden de Spanjaarden het stadje weer in 1793, maar een jaar later zorgde Jaques Dugommier ervoor dat het echt voor altijd Frans zou worden. Wat weer opvalt is dat er in het achterland allemaal wijn verbouwd wordt. Dit is dan ook een specialiteit van het dorpje, wat nauwelijks 2900 mensen telt. Daarnaast schijnen de ansjovissen hier het best van de hele wereld te smaken. Ook dit dorp was een meetingplace voor Matisse, Picasso en andere kunstenaars. Het is prachtig om over de brede kasteelmuren van Chateaux Royal te lopen, je kijkt naar het goudkleurige strand en het turkoise water en ziet overal Catalaanse vlaggen. Ook hier wordt de Catalaanse spirit hoog gehouden, wat uiteraard een goed ding is. Door de (zelfs nieuwe) straatjes slenteren is fijn, met de wind door je haar.

Collioure, France Collioure, France

Collioure, France Collioure, France

 

Saint- Cyprien, Canet, Cap Leucate

Langs de kust reden we richting Cap Leucate. Nieuw aangelegde dorpjes, veel recht toe recht aan huizen en weinig ouds te zien tijdens deze route. Vlak voor Canet zagen we twee surfbusjes staan. En toen dacht ik dat ik Peter Volwater zag staan. Omdat we toch even bij het strand wilden kijken parkeerden we en ja hoor, Peter Volwater stond daar en had net getraind, als voorbereiding op de PWA in Costa Brava. We reden door naar Cap Leucate, hier komt de wind goed aan land en er zijn perfecte condities om te parapenten. Hieronder kun je zien hoe dat er aan toe ging:

Cap Leucate, France

La Franqui

En toen kwamen we in La Franqui. De eindeloos brede stranden en de wind die het hardst waait. Een magische plek voor speedsurfers, naast Luderitz, maar dat is aangelegd, en dit is uiteraard natuurlijk ” gewoon” de zee. Toen we eerst even door het ook weer ” nieuwe” dorpje wandelden en paar hapjes pizza hadden gegeten die naar fruit de mer & mosselen smaakte omdat de mensen die aan de andere kant van het restaurant dit zaten te nuttigen maar er geen raam open stond of kon, en we gingen afrekenen bleven te toch nog lang hangen bij dit restaurant waarvan me de naam ontschoten is. We moesten wat informatie over wijn hebben, omdat we wat flessen uit de streek zouden meenemen voor Hendrik, die thuis ook wijn maakt en er dus wel wat verstand van heeft. De zoon van de baas holp ons uitstekend, terwijl hij zei dat hij er niet zoveel van wist. Soms sprong de moeder bij of had de vader nog wat aanvullingen (allemaal in het Frans en we verstonden het prima en het spreken ging ook goed, waar al die jaren Frans wel niet goed voor zijn geweest, twintig jaar later 🙂 ) alle smaken en soorten werden benoemd,en waar dat dan bij gedronken moest worden (welke kaas, welk gerecht) en of we uiteraard wilden proeven, want ze hadden we wat staan. Nou nee, dat dan weer niet.  Ik wist wel een beetje wat van wijn en dat het ingewikkeld was, maar zo ingewikkeld…..we kwamen met allemaal namen en die jongen vertelde dat we gewoon naar de supermarkt moesten gaan om het in te slaan en niet naar een dure wijnhandelaar. Dus zo kwamen we terug met wijn van de streek aanbevolen door kenners, wat vervolgens door de genen die het opdronken ook goed was gekeurd.

La Franqui, France

La Franqui, France La Franqui, France

Na het afrekenen en gedag zeggen reden we eigenlijk per ongeluk naar de speedspot, ik herkende van een filmpje van Tjitse de ingang naar de spot. Een lugubere toegang tot het strand langs de treinrails leidde ons naar de spot. Het stand is erg breed en hard zodat je met de auto tot het “huisje” kunt rijden. Omdat de zon al onder ging leek het geheel erg mooi. Het werd wel snel koud door de wind, en anders dan een paar mensen met een hond en drie vissers was er niemand.

 

La Franqui, France  La Franqui, FranceLa Franqui, France

La Franqui, France

La Franqui, France

 

Wil je meer foto’s zien van deze trip? Kijk dan op H I E R O P !

 

 

Voorzomer in Saint-Malo

 

Saint-Malo, France

Wat is er zo bijzonder aan Saint Malo?

Je moet weten dan Saint-Malo een soort van tweedelige stad is die bestaat uit de oude stad die men Intra-Muros noemt en een deel (het nieuwe) wat buiten de muren ligt. Het gedeelte binnen de muren is uiteraard wat we wilden bezoeken. Er lag een schiereiland met de naam Aleth waar een monnik genaamd Muchutus, later verbasterd tot Malo zich heeft gevestigd in de 6e eeuw, hij werd ook rond 550 tot bisschop van Aleth werd verkozen.

stmaloplattegrond

In de 9e eeuw vielen de Noormannen Aleth constant binnen en daarom vestigden de toenmalige bewoners zich op een rotseiland wat vlak naast Aleth lag, het graf van de Heilige Malo ( de monnik dus) lag ook op die rots. Mensen bleven er wonen en van de rots werd een nederzetting gemaakt die men Saint-Malo noemde. Ondanks dat de naam zich lieflijk doet voorkomen waren de mensen die er woonden niet altijd zulke heilige boontjes, er woonden namelijk rovers die in opdracht van de koning boten beroofden van landen waar ze op dat moment mee in oorlog waren. Ook is de stad in 1661 door brand verwoest en daarna opgebouwd uit graniet. In de Tweede Wereldoorlog is de stad weer volledig kapot geweest, en heeft men Saint Malo weer opgebouwd. Dit was op sommige plekken duidelijk te zien omdat, ondanks dat het het pal naast de zee ligt, de muren van huizen amper zijn aangetast door de zeelucht en wind. Uiteraard zorgen de wallen er ook voor dat gebouwen minder snel ouder worden.

 

Een rondje om Saint Malo.

Alsof we verdwaald waren. Zo reden we begin mei op een ochtend Bretagne binnen. Nadat we teleurgesteld bij Saint Mont Michel waren weggereden besloten we om naar Saint-Malo te rijden.  Zo heel ver was het niet, maar wat we er moesten was evenmin bekend. Op de wegen was drukte. Het was Hemelvaartweekend en blijkbaar waren er meer mensen op het idee gekomen om naar het stadje in de zee te gaan.

Mont Saint-Michel

Het was ontzettend, maar dan ook ontzettend druk op de veel te kleine parkeer terreintjes naast de stad. Drie kwartier lang hebben we in de auto gezeten voordat we uberhaupt een parkeerterrein op konden. Oh ja, wil je IN de stad parkeren, laat dat maar uit je hoofd, er is geen ruimte of je moet er heel vroeg bij zijn. Het was wel erg leuk om rijdend door de smalle schaduwrijke straatjes te rijden. Toch hadden we beter meteen naar het parkeerterrein kunnen tuffen. Menig verhitte Fransman keerde al vloekend terug naar de ingang wat bij iedere netjes wachtende irritatie opwekte, er moest gekeerd worden op een smal stukje weg, niet handig met een rij autos voor en achter je. Het is dus verstandig om vroeg te arriveren om een goed plek te bemachtigen, of de auto ver weg te zetten en een stuk te lopen als je niet van wachten houdt.

Buiten de auto leek het wel alsof we in de zomer terecht kwamen. De temperatuur was aangenaam, je kon gewoon zonder jas lopen als je wilde, en overal om ons heen zagen we mensen met korte broeken en rokjes. Een beetje te positief volgens ons. In het stadje gingen we op zoek naar een plek om koffie te drinken en wat te eten. Het werd een terrasje van een leuk uitziende creperie. Het was er bloedheet in de zon (je wilde zomer – je kreeg zomer) en de sigarettenrook van de buurman waarbij je bijna op schoot zat daalde neer op je te kleine en te dure crepe. We struinden na de crepe verder door het stadje opzoek naar een trap om op de reusachtige muur te komen. Die vonden we snel en ik stond versteld van het real life pinterest plaatje wat me ten oge kwam.

Saint-Malo, France

Het water was turquoise en weet ik wel niet hoeveel tinten groen/blauw. En er was een natuurlijk zwembad/bassin aan de rand van de zee, met duikplank gehouwd uit steen, waar een enkeling een duik in durfde te nemen. In zwembroek, bikini en badpak zaten mensen al aan het strand met hun picknickmandjes. Erg leuk voor de sfeer. Op zee zag je zeilboten, hobiecats, blowkarts en ander zeil/wind materiaal. Het werd net eb toen we de stranden konden overzien en dit zorgde ervoor dat de natte zand gedeeltes als spiegels werkten. De mensen die op het strand liepen, zagen waarschijnlijk hun eigen schaduw of reflectie, en het fototoestel deed dat des te beter. De afwezigheid van de wind zorgde ervoor dat de temperatuur nog aangenamer werd, en er verschenen steeds meer mensen in hun zomerkledij. We liepen de stadwal af keken om elk hoekje naar het lager gelegen strand. Overal mooie plaatjes, en overal mensen maar toch de stilte en de rust. Behalve bij een uitkijktoren, waar het wandelpad zo smal werd dat je schouder aan schouder langs elkaar moest lopen.

Saint-Malo, France

Als beloning namen we ijs bij Rue de la Soif, die uiteraard op de hoek van Rue de la Soif zit. Daarna liepen we door het centrum langs onder andere een skatewinkel en nog tig creperies en de Saint Vincent kathedraal naar cafe Le Galion (een Ierse pub achtige tent)met uitzicht op een druk kruispunt waar iedereen wel een keer per dag langs loopt en dus vanalles voorvalt. We dronken hier uiteraard wat koffie’s en thee. Toen de schaduw kwam, werd het snel kouder en zochten we al banend door de straatjes de weg naar de uitgang op. Dat was Saint-Malo. Een kleine, toeristische (lees duur) stad met een prachtig uitzicht maar verder geen uitbundige geschiedenis. Als je echt in de zomer hierheen gaat dan is er een camping op een klein schiereiland ten zuidwesten van St Malo om te verblijven. Omdat we nog genoeg tijd overhadden, besloten we om via de meest noordelijke Bretonse kust terug richting Normandië te rijden.

De rit langs de Bretonse kust: Rothéneuf – Plage du Guesclin – Pointe du Grouin – Cancale – Saint Benoît des Ondes – Vivier Sur Mer. 

Vanuit Saint Malo reden we via de door St-Malo opgeslokte stadjes Paramé & St Ideuc naar Rothéneuf. In dit stadje kun je meer dan 300 grote beeldhouwwerken zien (sommigen zijn alleen bij eb te zien, dus let goed op het tij) die gemaakt zijn door Abbé Fouré die leefde van 1839 tot 1910. Op zijn dertigste werd Abbé getroffen door een beroerte en werd hij eenzijdig verlamd. Zijn bijnaam was de “Hermiet” en de laatste vijfentwintig jaar van zijn leven spendeerde hij aan het maken van deze beeldhouwwerken van onder andere de Rothéneuf’s. De Rothéneuf was een vissersfamilie met veel macht, die aan piraterij deden en smokkelden, ze maakten dan ook de dienst uit in de regio. Men was bang voor hun omdat ze zoveel macht en een zeevloot – Les Flèches des Eaux –hadden. Met behulp van de volgende coordinaten kun je op de plek van de beeldhouwwerken komen: Lat 48.686057 – long -1.968023.

Het strand van Guesclin is bij zonsondergang erg aangenaam toeven. Het water is er helder en het zand goudkleurig. Aan de rechterkant van het strand staat Fort du Guesclin wat in 1026 is gebouwd. Bij laag water schijn je er naar toe te kunnen lopen. Tot 1826 is het fort altijd door Fransen of Engelsen voor militaire doeleinden gebruikt, maar daarna werd het als vakantiehuis verkocht. In de Tweede Wereldoorlog trokken de Duitsers in het fort en na de oorlog heeft er tot 1968 een Franse zanger in gewoond en er zijn liedjes geschreven, tegenwoordig is het fort in bezit van een familie die er een excentrieke woning van heeft gemaakt.

France

Via de D201 kun je naar Pointe du Grouin rijden. Dit punt heeft hoge hellingen en vanaf hier kun je bij helder weer de 25km verderop liggende Mont Saint Michel zien liggen. Ook Cap Fréhel is dan te zien, ik heb hier zelf helaas niet op gelet, en misschien had je de roze rotsen nieteens kunnen zien. Ook kun je nog wat eilandjes zien maar het grootste eiland Landes ligt pal voor je neus. Op dit eiland wonen alleen maar vogels. Wel zagen we enkele bootjes liggen voor de kust. De blik naar het oosten is prachtig, je kunt de hele kust bij langs kijken, en het ziet er groen en kalm uit. Men zegt dat er in dit water veel vis zit, en dat daar regelmatig dolfijnen op afkomen. Wij hebben ze niet gezien, maar mocht je hier heen gaan, hou dan je ogen open en neem je verrekijker mee. Ook is hier een grot die je kunt verkennen bij eb, wel een beetje tricky, dus ga niet zonder gids naar de grot, want voor je het weet kom je niet meer terug. Nadat we hier een tijd hadden getuurd en de zon en de magen liet weten dat het tijd was om verder te gaan, liepen we over de schelpenpaadjes naar boven en vertrokken we naar Cancale. Hier moest gegeten worden. Het zoeken naar een pizzeria ging niet zo vlotjes. Bij de ingang van het dorp stond een pizzakar die in slechts 45 minuten je pizza klaarmaakte en waar alleen contanten voldeden. En waar de andere pizzeria’s zaten dàt wist de goeie man niet. Heel de prachtig schilderachtige kust van Cancale reden we af, en overal kon je vis of zeevruchten krijgen. Nadat we twee rondjes door het dorp hadden gemaakt en weer de steile weg naar zee afreden vroegen we, maar zelfs de mensen uit het dorp wisten niet waar een pizzeria was. Toch kregen we een tip, Pizzeria La Source daar moesten we zijn. Gelukkig werden de deuren net geopend en konden we plaats nemen, de baas was amicaal en maakte een mislukte foto (toch wel vier keer geknipt ” het anker moet er wel bij”) van ons als toeristen in Cancale met auto’s en het strand en le Mer op de achtergrond. De pizza’s smaakten goed, en na bijna een voet te hebben gebroken bij een frappant af/opstapje verlieten we dit dorpje. Het was toen net etenstijd, aangezien er steeds meer mensen binnendruppelden.

Pointe du Grouin - Bretagne

France

Via de kust richting Saint Benoît de Ondes, reden we rustig terug naar Normandië. Hier was de kust vlakker, kaler en minder aantrekkelijk. Bij Le Vivier Sur Mer zijn we de grote weg opgereden en eindigde ons spontane avontuur in Bretagne. Dit is zeker een regio om een keer terug te keren. Dit was nog maar zo’n klein stukje van Bretagne, ik wil heel de noordkust richting Brest afrijden en via de zuidkust weer terug.

Nog wat interessante feitjes over de Bretons & hun taal:

– Bretons lijkt qua taal op Cornisch. Het stamt dan ook uit dezelfde taalfamilie: Brythonisch. In het Engels heet Bretange ook Brittany.

– De Bretons komen echt van Engeland af! tussen 300 & 700 kwamen ze zich vestigen op het vasteland.

– Bretons was de taal van de adel tot de 12e eeuw, daarna ging men over op het Frans.

– De taal gaat helaas achteruit. In vergelijking tot Fryslân waar in 2004 zo’n 440.000 mensen Frysk spraken, spreken er nog maar 300.000 tot 500.000 mensen Bretons. Helaas, helaas.

– Ben je nieuwsgierig geworden naar de cijfermatige kant van deze taal dan moet je zeker het artikel van Nely van Seventer doorlezen. De link vind je hier!

Wil je meer foto’s van Saint-Malo bekijken dan kun je uiteraard op de flickr button bovenin het scherm tappen.